Skip to main content

Terugkeer van de Titanen

Heidenen en de strijd om Europa.

 

Guillaume Faye is een van de voornaamste denkers afkomstig uit de Franse denkschool Nieuw Rechts. In onderstaand vraaggesprek met Christopher Gérard zet hij zijn eigenzinnige en fascinerende visie op de toekomst van het Europese heidendom uiteen. De oorspronkelijke Franse tekst verscheen in het tijdschrift Antaios (nr. XVI, lente 2001) onder de titel ‘Titanen en Goden’, en is te vinden op: http://editions-hache.com/essais/faye/faye1.html

 

Wie bent u ?

 

Het is lastig mezelf te definiëren. Ik ben in mijn eigen leven in elk geval veelzijdig, niet gespecialiseerd en aanhanger van het veelgodendom. Hoewel ik in bezit ben van een diploma van het Parijs Instituut voor Politieke Studies (Sciences-Po), met een graad in geschiedenis en geografie, en ik doctor in de politieke wetenschappen ben, heb ik mijn diploma’s nooit serieus genomen en deze nooit gebruikt om ‘te slagen’ in de burgerlijke maatschappij of bij de intelligentsia. Ik heb huis aan huis auto’s verkocht, humoristische radio en televisie uitzendingen voor het grote publiek verzorgd, boeken en artikels geschreven over allerlei onderwerpen, van zeer serieus tot heel licht, in de reclame gewerkt en bij bekende persorganen… Momenteel schrijf ik boeken, spreek ik overal in Europa op bijeenkomsten en ben ik juist begonnen met een sociaal-economische nieuwsbrief uit te geven (met behoorlijk succes).

 

Heel specifiek liggen mijn wortels, vanaf vele generaties, in de Gallische regio’s Poitou-Charentes en Limousin, met haar ideale verzameling van Keltische en Romeinse tradities. Ik ben met de Bonapartische stroming van het Franse nationalisme grootgebracht en het paradoxale resultaat werd een Europees patriottisme. Mijn oorspronkelijke sociale klasse is dat van de Parijse, hogere burgerij, dat ik van binnen uitstekend ken en waarvan ik nooit de materialistische en conformistische idealen heb gedeeld, die ik nooit benijd heb, omdat de levensstijl die het me bood, me in beginsel niet interesseerde.

 

Welke intellectuele weg heeft u bewandeld?

 

Ik houd niet van het woord intellectueel. Sta me deze botte opmerking toe, want ik heb namelijk altijd gedacht dat intellectuelen zich verhielden tot intelligentie als masturberen tot liefde. De ‘intellectueel’ is een narcistische wezen, afstammeling van de theologen van Byzantium, vluchteling in pure ideeën (en voor 95 % foutief), die zijn tijd verkwist en ook dat van anderen. We moeten niet niet vergeten dat het in het begin als een kleinerende term is uitgevonden, in de jaren ’90 van de 19e eeuw, voor het omschrijven van de klasse van professoren, publicisten en journalisten die ideologische dogma’s verkozen boven de werkelijkheid. Niets is minder heidens dan de term intellectueel! Aangezien het een dodelijke scheiding bevestigt tussen het intellect (Geist) en de levensziel (Seele).

 

Als eerste was er Nietzsche die me deed ontwaken, bovenal door de boeken ‘De vrolijke wetenschap’ en ‘De antichrist’, die me werd aangeraden door mijn professor filosofie toen ik bij de jezuïeten in Parijs zat, een religieuze organisatie die enkel in naam een christelijke opleiding gaf, maar zich aanzienlijk meer richtte op het antieke Griekse en Latijnse humanisme. De twee bronnen van mijn heidendom zijn Nietzsche en de antieke cultuur, en zij zijn paradoxaal genoeg het resultaat van mijn jaren bij de jezuïeten.

 

Ik heb de kans gehad om zeer lang en veelzijdig te studeren; klassieke talen, politieke wetenschappen, geschiedenis, aardrijkskunde, filosofie, economie. Dat heeft ervoor gezorgd dat ik me niet ging specialiseren en overal iets van heb meekregen. Op gelijkaardige wijze werd ik beïnvloed door de methodiek van het marxistisch denken, zonder een enkele van zijn maatschappijkeuzes of utopieën te delen. Mijn opleiding was zeer gevarieerd en eigenlijk nauwelijks Frans te noemen. Descartes, Montaigne, Bergson en de zijnen hebben me nooit geïnspireerd, net zo min als Maurras overigens. Ik heb altijd een zwak gehad voor de Duitse en Angelsaksische filosofen. Nietzsche, Hegel, Heidegger, Simmel, Tönnies, Schmitt, Spencer, Lash, etc. Daarentegen, heb ik me altijd afgekeerd van zelfverklaarde geleerden, van homines unius libri (zij die één persoon blindelings volgen) of van samenstellers. Ik behoor tot geen enkele theoretische of ideologische school, ik heb altijd geprobeerd voor mijzelf te denken.

 

Maar voor de volledigheid, het zijn niet zodanig boeken die me hebben beïnvloed, het is simpel gezegd mijn levenswandel. Ik ben geen persoon die prat gaat op zijn eruditie, noch iemand die doorheen artikels citaten plaatst om een intellectuele collage te creëren, eigen aan autodidacten. Ik verzamel geen boeken, zoals anderen tinnen soldaatjes of postzegels verzamelen. Ik verkies zelf na te denken, onophoudelijk nieuwe concepten te bedenken bij het zien van de dagdagelijkse werkelijkheid en middels mijn intuïtie, aangezet door het lezen (zeer persoonlijk en heilige huisjes omver schoppend) van elke schrijver op wie ik stuit, of door een gesprek, een waarneming, het lezen van persberichten of van een geschiedenisboek. Ik functioneer door plotselinge invallen en door intuïtie en definieer mezelf niet middels een denkschool of een intellectuele stroming. Ik ben slechts in het bezit een honderdtal boeken, enkel de meest essentiële. Alle andere heb ik weggeven of verkocht.

 

Ik ben zo gaan denken door gedragsbiologen, sociologen, economen en Duitse filosofen waaronder de Frankfurter Schule, Habermas en schrijvers zo uiteenlopend als Koestler, Heidegger, Spencer, Ardrey. In tegenstelling tot francofiele Amerikanen, heb ik altijd gevonden dat de structuralistische Franse school (Lacan, Foucault en kompanen) helderheid miste. Ik zou van de Fransen wel uitzonderingen maken voor Julien Freund, Maffesoli, Lefebvre, Deleuze en Debord. Ik heb me een tijd tussen de situationisten bevonden, vanwege hun machtige kritiek op de westerse maatschappij en haar leegte. Dat heeft er paradoxaal genoeg in de jaren zeventig toe geleid, dat ik me ben gaan interesseren in GRECE en haar Nieuw Rechts, waaraan ik een belangrijke bijdrage heb geleverd. Maar ik heb deze stroming in 1986 verlaten, want ik voelde dat de ideeën die ik ontwikkelde niet meer gelijk liepen met de heroriënteringsstrategie van zijn leiders. Dat gezegd hebbende, maakte ik er kennis met mensen zoals de filosoof Giorgio Locchi, geschiedkundige Pierre Vial, Pierre Brader en de politicoloog Robert Steuckers en anderen, die me talrijke inzichten hebben meegeven en zij hebben allen, net als ik, deze denkschool verlaten.

 

En uw spirituele weg?

 

Mijn heidendom heeft niets spiritueels noch mystieks, het is lichamelijk en door beleving, ik zou zeggen: poëtisch en volledig persoonlijk. Mijn weg is volledig zonder spiritualiteit, maar puur op gevoel. De rijkdom van het heidendom, dat wat geen enkele andere ‘religie’ bezit, is dat men er een uitzonderlijke pluraliteit aan richtingen vindt: het heidendom van het bos en van de diepe wortels, tot aan die van de ontketening van de techno-wetenschap, van de mist op de heide tot aan die van de godheden van het zonnevuur, van maagden en nimfen tot aan die van dof geruis van veldslagen, van het gezang van feeën of het galopperen van demonen in de onderwereld tot aan de kettingreactie van de kernreactoren, van de grote beschermgoden tot aan de beschermers van huis en haard. Maar het geniale van het heidendom is het in zich verzamelen van de kosmische en organische totaliteit van menselijke passies, met hun misères en grootheden. Het heidendom is goed en wel de spiegel van de levende wereld. Ik heb esoterische teksten, mystieke begeesteringen, onderzoeken en uiteenzettingen over symboliek, nooit kunnen waarderen. Voor mij is het heidendom allereerst poëzie, esthetica, bezieling en intuïtie. In geen enkel geval een theorie, kerkgebouw of leidraad voor actie.

 

Het is het Grieks en Romeins heidendom waarbij ik me het meeste thuis voel. Dit drukte op heel mijn opleiding een stempel, veel meer dan ik met tien jaar Grieks en Latijn heb meekregen en waarmee ik enigszins in staat ben te lezen uit een tekst van Ovidius of Xenophon. (Dat wat me nu niet meer lukt, sed nihil obstat quibus perseverant (‘maar niets staat een volhoudende gek in de weg’ (vert.)). Natuurlijk heb ik veel overeenkomsten met en sympathie voor de Keltische, Germaanse, Scandinavische en Indiase heidense stromingen, die allen ook veel te bieden hebben. Ik vind het jammer dat ik het Hindoeïsme slecht ken, het belangrijkste vandaag nog levende heidendom, maar graag zou ik deze kloof nog eens overbruggen.

 

Ik herinner me de Eed van Delhpi, uitgesproken voor een Stoa (langgerekt smalle, overdekte zuilengang (vert.)) op een heilige plaats, tijdens een vroege morgen in het begin van de jaren ’80 voor een groep van jonge Europese intellectuelen. (Faye gebruikt het woord archon – uit het Grieks ἄρχων, mv. ἄρχοντες = heersende, bestuurder – in het oude Griekenland een algemene titel voor een hoge gezagsdrager (vert.) ). Het werd op initiatief van Pierre Vial en onze overleden vriend Jason Hadjidinas uitgesproken. Er waren bij ons gemeenschapshuis Europeanen van alle naties aanwezig. Ik zal heel mijn leven trouw blijven aan deze eed. Het werd een intens en religieus moment van ontroering. De eed had als doel dat ieder zich in de wereld in zou zetten voor de heidense waarden.

 

Spiritualiteit op zichzelf heeft me altijd saai geleken, misschien heel simpel omdat ik het niet begrijp. Van Evola heb ik enkele sociologische en politieke passages onthouden, maar het ‘évolianisme’ is me altijd als ontheemd overgekomen en de teksten van Guénon (zelfs tot de Islam bekeert) als totaal onbegrijpelijk. Mijn heidendom, is in de essentie apollinisch en dionysisch en is dus het tegenovergestelde van een meditatieve houding, het is intuïtief, met een fascinatie voor de beweging, de actie, het estheticisme van de macht (en niet van het gebed). Het is voor mij de essentie zelf van de levenskracht, van de wil tot leven.

 

Het voornaamste gevaar dat het heidendom bedreigd is het gratuite intellectualisme; de gedachte idolaat van zichzelf, droog en abstract, bijna wetenschappelijk, losgekoppeld van de werkelijkheid en de noodzakelijkheid. Het heidendom is noch een academisch proefschrift, noch losstaande kennis, maar een houding voor de actie. Voor mij is het een onderdompeling in het leven, iets praktisch dat de wereld transformeert. Het zijn als eerste nooit woorden die tellen, noch ideeën, maar concrete handelingen waar ideeën en woorden aan ten grondslag liggen. Een idee is niet interessant omdat zij op zichzelf briljant is, maar wel indien ze plaats laat voor een verandering van een situatie, tot aan de belichaming binnen een ontwerp, dat is het centrum van de heidense epistemologie; het tegenovergestelde van de de joods-christelijke epistemologie, waar het idee slechts als zichzelf waarde heeft, maar waar materiële aspecten, urgentie en het werkelijke op afkeuring kunnen rekenen. Ik ben altijd met stomheid geslagen door het gegeven dat het Griekse, Latijnse, Germaanse, of Keltische heidendom niets meditatiefs of beschouwends had. Zij waren bij uitstek activistisch, politiek en strijdvaardig.

 

De joods-christelijke traditie negeert dat, en denkt heel bijbels dat wilskracht een zonde tegen God is, dat men hem dan uitdaagt. Volgens het onderwijs van de brave priesters is het rijk ‘van binnen’, van ieder materialisme ontdaan, de enige acceptabele macht. Deze zienswijze veronderstelt dat de wereld aan een dubbele standaard onderworpen is: aan een kant spiritueel: het heilige, de meditatie, aan de andere kant: de vulgaire ontheiliging, waaraan een uitzinnige missie vast zit van domineren, berekeningen, veldslagen en strategieën. Ik denk daarentegen te weten dat het materialisme en het gevoel voor het heilige in het heidendom intiem zijn verbonden. Materialisme moet men hier uiteraard niet verwarren met consumentisme.

 

Wanneer ik terugkijk naar de mysteries van mijn jeugd, is er een andere, zeer vreemde keuze die me heiden maakte, zonder dat ik het zo formuleerde. Dat is de fascinatie voor de wildernis en specifiek voor het bos, het meer en de berg. Een eenvoudige en nogal vreemde anekdote: als jonge volwassene had ik de gewoonte te voet door de mooiste bossen van Europa te wandelen, zoals het bos van Coubre in mijn geboortestreek Saintonge. Een woestenij van dennenbomen en eiken, door de wind heen en weer geschud. Hoe dichter men de zee nadert, des te beter men het gehuil van Aeolus hoort en voelt, de gevreesde zuidwesten wind, en de blaffende woede van de Atlantische Oceaan. Dan komt men bij de duinen, waar de laatste dennenboom afsterft vanwege het zout en de windstoten. En dan met een klap barst de schoonheid van Poseidon los; een wilde schoonheid, bedreigend, onverschillig tegenover de menselijke klaagzang. De enorme golven die uiteen knallen en brullen, het ruisen van de draaikolken, een eindeloze kust van witte stranden en rode borden waarop ‘baden verboden‘ staat geschreven. Ik ben altijd door de ongerepte kust en het bedreigende van de natuur gefascineerd geweest, waar de pure schoonheid een verschrikkelijk gevaar verbergt, als een soort beet van de Goden.

 

Maar in deze heidense visie op de wereld voel ik me ook aangetrokken door de kolossale steden, en de monumentale architectuur van assertiviteit en macht, met esthetisch en met harmonieuze kracht: Versailles, de Taj Mahal, de kathedraal van Straatsburg of die van Ulm, de Duitse architectuurschool van Chicago, het neoclassicisme van de jaren 30, de brute schoonheid van een nucleaire onderzeeboot of van een gevechtsvliegtuig, enzovoorts. Het is de aanvaarding van macht en orde die voortkomt uit de natuur of de mens, die mijn persoonlijk heidendom vormgeeft. Mijn spirituele weg was nooit op droge overdenkingen gegrond, noch op een willekeurige religieuze ervaring, maar in plaats daarvan op directe emoties. Een christelijke vriend heeft me op een dag van dromerig heidendom ‘beschuldigd’. Hij had gelijk, zonder in te zien dat de dromen van mensen misschien berichten van Goden zijn. Het zijn dan ook de laatsten die lang geleden het Internet hebben uitgevonden…

 

U ziet zich dus als heiden die alle signalen om zich heen registreert, als een levende seismograaf. Maar wat betekent het heidendom voor u vandaag? Wat is uw persoonlijk benadering?

 

Mijn heidendom is niet reactief, maar positief. Ik ben niet anti-christelijk, maar voor en na de Christen. Ik heb geen behoefte extra leed te veroorzaken en ik heb geen rekeningen te vereffenen. Het heidendom is het Christendom voorafgegaan en zal ook met zijn verdwijnen in de harten van de Europeanen overleven. Mijn stellige overtuiging is dat het heidendom eeuwig is. Zoals u het uitlegt in uw boek ‘Parcours Païen’ (de weg van de heiden), steunt het heidendom op drie peilers: de verworteling in afstamming en bodem, de kosmische onderdompeling in de natuur en zijn eeuwige cycli, en een ‘zoektocht’, die misschien een opening naar het onzichtbare kan zijn, als een avontuurlijk onderzoek (Pytheas, Alexander, de school van Pythagoras, enzovoorts..) zonder enige zekerheid. In die zin is het heidendom de oudste en de meest natuurlijke van de godsdiensten van de wereld. Het is diep de Europese ziel binnengedrongen. Het is het tegenovergestelde van het monotheïsme, en men kan zelfs zeggen dat het authentieker is dan deze godsdiensten, aangezien ze mensen van eenzelfde gemeenschap verbindt in een werkelijke en concrete wereld. Dit in tegenstelling tot het Christendom of de Islam, want die vormen met een verzameling van geboden en universele decreten een gecodificeerd geloof, dat zich slechts richt tot de verlangens van het individu tot het ‘aanschaffen’ van verlossing van een alom aanwezige God.

 

Wat men tot de belangrijkste kenmerken van het heidendom rekent zijn: het goddelijke en het goddeloze in eenheid verenigt; een cyclisch idee of bolvorm van de tijd (omgekeerd aan de leerstellingen van de verlossing of de vooruitgang waarin de tijd lineair is en loopt naar het einde van de geschiedenis middels verlossing); een weigering om de natuur als een eigendom van de mens te zien, die hij als ‘zoon van God’ zou kunnen gebruiken en vernietigen naar eigen goeddunken; de afwisseling van sensualiteit en ascese; de constante verheerlijking van de levenskracht (het « ja aan het leven » en de « grote gezondheid » uit Zarathoestra van Nietzsche); het idee dat wereld zomaar is ontstaan en direct komt vanuit een wordingsstroom, zonder begin noch einde; het tragische levensgevoel en het afwijzen van ieder nihilisme; de religie van de voorouders, van de afstamming, van de trouw aan strijders, aan kameraden en aan tradities (zonder te somberen in musea); het afwijzen van alle universele, geopenbaarde waarheden, en dus van ieder fanatisme, van iedere neerslachtigheid, van ieder dogmatisme en iedere bekeringsdwang. Hier kan men aan toevoegen dat het heidendom zich altijd kenmerkt als een ‘tegenstander van tegenstellingen’. Zelfs temidden van harmonische eenheid sluit ze het heterogene in het homogene in.

 

Ik zou er nog aan toe willen voegen dat de heidense moraal, van bijvoorbeeld Marcus Aurelius, eisen bevat die beslist superieur zijn aan die van het Christendom. Het heidendom waar ik naar verwijs is Grieks en Romeins. Het eist van de mens dat hij meester wordt over zichzelf en dat hij de regels van zijn gemeenschap respecteert, en de levende orde, die niet zijn opgelegd door een logica van een belanghebbende, middels straffen en belonen, van een alom aanwezige God, maar diep van binnen wordt beleefd, en psychologisch ingeweven zijn als noodzakelijke ‘plichten’. De Goden uit de heidense pantheons zijn moreel niet superieur aan mensen. Zij zijn eenvoudig onsterfelijk, het zijn ‘Übermenschen’ begiftigd met magische krachten. Dat betekent dat in het heidendom de mens niet minderwaardig is ten opzichte van de goddelijkheid, zoals dit het geval is bij de religies van het boek. Men kan dit goed terugzien in de Ilias, waar de goden partij kozen voor de ene dan wel de andere kant, want ook zij bezitten alle tekortkomingen, kwaliteiten en passies, die bij mensen voorkomen.

 

Ik ben door twee versies van het heidendom gevormd, die net zo emotioneel zijn en die perfect zowel tegen over elkaar staan als complementair zijn: een heidendom van de natuur en een heidendom van de macht, van het kunstmatige en van het onderzoeken van de wereld. Mijn heidendom, ik geef het toe, is datgene waar Michel Maffesoli me een dag vriendelijk op aansprak en me toen ‘een volgeling van Prometheus’ noemde (in reactie op het lezen van mijn boek L’Archéofuturisme) en dus ‘modern’,  getekend en beproefd door hoogmoed. Wat betreft Alain de Benoist, hij heeft mijn zienswijze van de wereld in overeenstemming met die van de Titanen genoemd, volgens de categorieën van Jünger. Ik spreek deze analyse niet tegen, opgeschreven door een schrijver die, hoewel zelfverklaard heiden, in werkelijkheid in zijn interesses, keuzes en zijn ideologisch denken zeer diep joods-christelijk is gebleven (van de agnostisch moderne stroming).

 

Europa is zijn heidens onderbewustzijn nooit verloren: heel de Europese poëzie en zelfs de beeldhouwkunsten getuigen ervan. Puur christelijke poëtische werken verheffen niet, maar alle heilige, katholieke kunst is doordrenkt van het heidendom. Slechts de verwerking van een permanente voorstelling van het goddelijke zijn weerstaat de monotheïstische drang tot een beeldenstorm. Wat mij bij het Christendom altijd als beschamend overkomt, dat van na het Tweede Vaticaans Concilie (dat in niets meer overeenkomt met dat van de kruistochten), is dat het zich onderscheidt door een systematische voorkeur voor het zwakke, het slachtoffer, de overwonnene. Het plaatst trots op dezelfde hoogte als zonde en veroordeelt de sensualiteit, zelfs de gezonde, als strijdig met de goddelijke zienswijzen. Het waren de teksten van Nietzsche, maar bovenal de waarneming van de geestelijken en christelijken van vandaag, die me overtuigden van het ziekelijke karakter en tegennatuurlijkheid van de christelijke moraal, een moraal van zieken, een rationalisering van frustraties. Het idee van verlossing door het lijden, wat neerkomt op een haat voor het leven, heeft niets van doen met het heidense ideaal van de heroïsche dood. En verder kon ik niet tegen het idee van de erfzonde, en het idee dat men mij verantwoordelijk hield voor het lijden van Christus.

 

Meer dan elke andere religie staat het heidendom zowel borg voor de sociale orde als de kosmische en natuurlijke orde, en dus voor veelzijdigheid van geloven en stromingen. Het berust op de logica van ‘ieder bij zichzelf’ en niet op het fanatisme van de universele, chaotische vermenging. Zijn maatschappelijk model verbindt direct de concepten rechtvaardigheid, orde en vrijheid, waarvan de laatste twee op discipline zijn gebaseerd. Het gaat uit van het principe dat de mensheid divers is en op geen enkele wijze erop gericht is om zich te unificeren, en dat de geschiedenis zonder einde is en een onvoorziene toekomst. Het veronderstelt het tegenovergestelde van het monotheïsme, namelijk een ongelijksoortige mensheid bestaande uit homogene volkeren. De essentie van de politiek is hier de vorming van homogeniteit in een gemeenschap, geheiligd door de godheden, in welke de identiteit zich volledig met soevereiniteit samenvoegt. De heidense visie is organisch en holistisch en ziet volkeren als gemeenschappen met een gezamenlijke toekomst. Zoals men in het Griekse heidendom het begrip gemeenschap ervaart, bij elkaar gehouden door patriottisme en gemeenschappelijke identiteit (weergegeven door een verscheidenheid aan godheden plus weer de natuur) is van fundamenteel belang in het heidendom, waar de beschermende godheden een essentiële politieke en gewortelde dimensie hadden.

 

Naast een Apollo-Dionyisch heidendom, denk ik aan wat men zou kunnen noemen een ‘Titanische benadering’, met Faustische en Promethische accenten, gegrond op de esthetiek en de ethiek van de kracht. Met de vergoddelijking van de Übermensch – die niets ‘moderns’ heeft maar alles van de ‘archéofuturist’ – aangezien de mythe van Heracles en de heldendaden van de Illias de ondubbelzinnige uitdrukking van het Titanisme zijn, in welke de menselijke helden op hetzelfde niveau raken als dat van de goden. Men denke aan Achilles, Priamus, Agamemnon en alle personages van de mythologie of de Griekse tragedie die, gedreven door het denken van de Übermensch, werkelijk in contact traden met het goddelijke.

 

Voor mij – en deze benadering verrast of choqueert zeker een aantal heidenen – is het heidendom niet enkel te verbonden met een esthetiek van de ‘dreigende natuur’, met een visie op de godheden als entiteiten met een zekere geweldadigheid, van een wraakzuchtige wreedheid (denk aan de ‘wilde jacht’ omgeven door een waas van spreuken en verwensingen, uit de roman ‘De Grote God’ van Machen, waar de antieke Goden als gedaantewisselaars en wrekers in het moderne Engeland opduiken), maar ook met de Prometische ontketening van technisch-wetenschappelijke geweldadigheid. Ik bedoel dit niet vanuit een sociaal-ideologische zienswijze, dat me altijd de drager leek van het belangrijkste deel van de heidense ziel (dat men denke aan Hephaistos, die god van de smeden) in de mate waarin de ‘techniek van de macht’, te onderscheiden is van de ‘techniek van het comfort’. In de Europese mens heeft altijd onderbewust een wedijver geheerst tussen de goddelijke macht en zelfredzaamheid. In de joods-christelijke traditie is het zelfs zo dat de mens door God wordt bevolen om zijn ‘trots van de macht’ in te slikken, om zelfs maar niet een glimp van de kennis te op te vangen, en niet over te gaan tot het scheppen van kunstmatige concurrenten voor de onveranderlijke en perfecte natuur die door de schepper is ontworpen. Trouwens, kijk eens naar de namen van de raketten van de Amerikaanse ruimteprogramma’s in de tijd toen Von Braun deze doopte: Thor, Atlas, Titan, Jupiter, Delta, Mercury, Apollo. Men noemde geen enkele daarvan Jezus of Vrede en Liefde of Bijbel. En dat in een land waar het Christendom in feite de staatsreligie is. Hetzelfde geldt voor de Europese raket, de Ariane. De nucleaire raketten van het Franse leger droegen de namen Pluto en Hades en die van het Indiaanse leger Agni. De Britse oorlogschepen dragen traditioneel namen met dezelfde oorsprong: Hermes, Ajax, Hercules… Er bestaat dus wel degelijk een verbintenis, een geestelijke band tussen de herinneringen aan de heidense mythologie en die van de ‘techno-wetenschap van de macht’.

 

Zelf heb ik op platen en cd’s, bij radio-uitzendingen, en later in het stripverhaal ‘Avant Guerre’, een echte vergoddelijking doorgevoerd in de symbolische voorstelling van techno-wetenschap, voornamelijk militair, ruimtelijk en biologisch. Deze benadering is een constante in de sciencefiction, met name bij de Amerikaan Philip K. Dick (die openlijk heiden was). Een groots auteur, meer bekend in Europa dan in zijn eigen land. Hetzelfde geldt voor de biotechnologie. Ook hier zal men de constante tegenstand van christelijke mentaliteit vinden tegenover genetische manipulatie. (zoals vroeger bij onderzoek en bij medisch ingrijpen). Dat zien ze als een belediging van het werk van God. Dat valt als volgt te verklaren. Voor zowel het Joodse Christendom als de Islam is het universum verdeeld tussen het heilige en het goddeloze. Het heilige is slechts in God. De natuur is het blijvend goddeloze domein, en mag slechts door God worden aangepast en niet door de mens. Indien de mens ertoe overgaat dit zelf te wijzigen (genetische modificatie), begaat hij de zwaarste zonde: de zonde van hoogmoed, dat wil zeggen denken te weten hoe te verbeteren wat God heeft geschapen, en zich niet te onderwerpen aan de voorzienigheid. Hij begaat nog een tweede zonde, een zonde tegen het antropologisch centrisme. De mens is geschapen naar het beeld, niet perfect maar toch, van zijn Schepper, radicaal gescheiden van de rest van de natuur. De planten en dieren worden beschouwd als simpele, te manipuleren biologische mechanismen. Waar gaat de wereld heen indien de mens schepper van zichzelf wordt, vormgever van zijn eigen leven? Hij begaat dan een dubbele fout: hij vereenzelvigt zich met een dier door te loochenen dat zijn ziel en zijn goddelijke afstamming volledig in de biologische stroom opgaan ; hij verklaart zich gelijkwaardig aan de rest van de levenden (de zonde van incarnatie). Erger nog, hij behoudt zich het recht voor in te grijpen in zijn eigen intieme leefwereld die het eigendom van God de Vader is, en zichzelf te verbeteren en hogerop te raken (de zonde van ontvangenis).

 

Het afwijzen van deze twee heiligheden is een constante geweest in het monotheïsme met een duaal godsbeeld: in de allegorie van Golem (een kunstmatig en duivels wezen door de mens geschapen) hebben zij in de strijd tegen evolutionaire theorieën het recht van de mens ontkend zelf schepper te worden. Ze hebben dit als onveranderlijk en deel van een eenheid gedacht en hieraan onderworpen.

 

Voor de heidenen is deze positie onbegrijpelijk: de natuur is van zichzelf heilig, ze is niet het wereldlijke werk van een heilige geest die vanuit de wolken heerst. Ze is eeuwig, en het goddelijke is overal. De mens is niet onveranderlijk, maar ondergedompeld in de stroom van ontwikkeling. Er bestaat geen enkele tegenstrijdigheid tussen het natuurlijke en het kunstmatige van de mens, aangezien alles natuurlijk is, zelfs het kunstmatige. Door de menselijke wetenschap gecreeërde ‘hogere natuur’ is nog altijd natuur. Voor een heiden ligt de vraag erin, te weten of iets kunstmatigs (voornamelijk biologisch) positief is of niet. Om het concreet te houden: of het van zichzelf schadelijk is. Maar zeker niet het kunstmatige als metafysisch principe in zijn geheel te veroordelen. Dat is de reden dat het radicale ecologische denken, door enkelen verdedigd, ten diepste joods-christelijk is.

 

Is het klonen, de broedmachines, genetische gemodificeerde organismes, de nucleaire technologie, ethisch of niet? Deze vraag van het monotheïstische geweten kan men ook anders stellen, of vervangen door een andere, meer praktisch en realistische vraag: is een zodanige ingreep in de genen of van de structuur van materie schadelijk of juist gunstig? In het heidens gedachtegoed zijn ideeën gereedschap. Men ziet dus dat de heidense mentaliteit elke metafysica schuwt, en dat ze ‘fysiek’ blijft, en dat is eenvoudig omdat ze ervan overtuigd is dat niets haar ooit van de natuur kan scheiden. Men kan zo zien – wat ik heb geprobeerd uit te leggen in mijn boek ‘L’Archéofuturisme’ – dat wat betreft de biotechnologie (die gaat samen met informatica grote veranderingen brengen in de 21e eeuw) de joods-christelijke en islamitische mentaliteit ethisch, theologisch en cultureel de komende techno-wetenschap, met zijn Titaanse en Prometische essentie, niet aan zullen kunnen. Naar mijn mening kan enkel de heidense mentaliteit deze verwerken. Men ziet hier trouwens al een veeg teken van, namelijk dat drie cultuurkringen, te weten India, Japan en China, die van het monotheïsme verschoont zijn gebleven, genetische manipulatie als natuurlijk zien.

 

Ik kan hierover slechts kort en bondig, cryptisch en symbolisch spreken en enkele denkrichtingen naar voren brengen. Er bestaat voor mij een ‘zwarte zon’ van het heidendom, een gloeiend en ondergronds thuis, dat wat Heidegger deinotatos ‘het meest riskante’ noemde, men kan ook zeggen: de essentie van tragiek en uitdaging die in het lot zichbaar wordt. De techno-wetenschap verbonden aan de wil-tot-macht, het bovenmenselijke, de synergie tussen de esthetiek en de roep tot dat wat men zelfbevestiging kan noemen, de pogingen zich God eigen te maken, dat alles maakt deel uit van een denkwereld die men onmogelijk helder kan omschrijven, die in de schaduw moet blijven, als ‘gunstige schaduw’ zoals Ovidius reeds zei. Maar deze scheppende dimensie is eigen aan het Europese heidendom; het staat altijd onder spanning, als een borrelende krater die elk moment kan uitbarsten. Het komt heel duidelijk naar voren in de roman van Erle Cox, ‘Out of the Silence’ die op mij een diepe indruk heeft achtergelaten. Deze intuïties werden verder gerealiseerd in de science-fiction radio-uitzending Avant-Guerre, met veel passie in elkaar gezet door de schilder Oliver Carré, waarvan de teksten zonder twijfel een dag zullen worden gepubliceerd, maar die nu nog te wreed zijn om goed begrepen te worden. Dat noemden wij vroeger de terugkeer van goden in een andere gedaanten.

 

Er zit een familiegeheim in het Europese heidendom, dat verwijst naar alle oude mythologieën – tot en met de ronde tafel van Koning Arthur – zonder werkelijk de aard ervan te onthullen, een geheim waarvan het hart (de Graal ?) volgens mij niet is weg te denken, een geheim waarvan Heidegger een vermoeden had, en waar hij zelf bang van was. In zijn belangrijkst tekst, ‘Holzwege’ wist Heidegger volgens mij perfect dat deze wegen goed en wel nergens toe leiden. Ik had deze verontrustende interpretatie opgeschreven in een uitgave van het blad ‘Nouvelle Ecole’ over de Duitse filosoof. Heidegger heeft angst voor zijn eigen scherpzinnigheid gehad. Hij heeft zijn intuïties in stilte weggedrukt. Men heeft hem zo vaak opgeëist, geneutraliseerd en misvormt…. Waarheen leidt de weg, dat wil zeggen het spoor van onze geschiedenis? Naar de mogelijke overwinning van de Titanen en van Prometheus. Zeus zal het me kwalijk nemen, maar deze overwinning wens ik mezelf toe, zelfs al is ze kort. Ze zal een esthetische uitbarsting zijn, de bekroning van de scheppers, de eeuwige wederkeer waarvan Nietzsche reeds sprak. Het was juist Nietzsche die Heidegger bang maakte, niet omdat hij Nietzsche halfslachtig gelezen had, maar juist zeer goed begreep.

 

Maar hoe met deze spanning te leven?

 

Het heidendom was in verschillende vormen de oorsprongsreligie in Europa. Het is in meerdere vormen aanwezig: een ‘folklorisch’ heidendom (wat niet negatief bedoeld is), voornamelijk Keltisch en Scandinavisch, dat op geen enkele wijze gepaard gaat met geloof in persoonlijke goden. Het betreft veeleer een traditioneel en etnisch pantheïsme. Men vindt met de grote teruggang van de katholieke religie bovenal een incidenteel, volks heidendom terug, waarbij de seizoenswisselingen en de zonnewendes de interesse wekt, alsmede het Keltische dodenfeest (Halloween), waar natuurlijk net als voor Kerstmis een commerciële interesse bestaat. Laten we ook niet het terug heidens maken van Kerstmis vergeten, een feest waartegen de Kerk altijd heeft gestreden. Vanaf het begin van de 20e eeuw zien we steeds meer de vervanging van de kerststal door de boom. Dat betekent, meer dan 1500 na de kerstening van de winterzonnewende, een voorbode en belangrijk teken van een spontane en volkse heropleving van het voorouderlijke heidendom. Men kan ook de vasthoudendheid opmerken, dikwijls onbewust, in de duidelijk heidense stromingen in de kunsten, de literatuur, de filosofie en stripboeken. Want het heidendom is niet zom aar een naam, maar een levendige en spontane houding, een visie op de wereld. John Boorman, Michel Maffesoli en zovele anderen trekken een eindeloze lijn van heidenen door, zonder zich als zodanig te definiëren.

 

Volgens mij bestaat er een duidelijke verwantschap tussen wereldbeelden, maar het grote verschil tussen het heidendom van de Hindoe’s en dat van de heidenen van Europa, is dat de eerste geen onderbreking noch culturele verdrukking heeft gekend, en zeer nabij de volkse religies van de Europese oudheid is gebleven: men gelooft werkelijk in eerste instantie in het bestaan van een goddelijke pantheon. Voor Europa is het echter onmogelijk naar deze instelling terug te gaan. Ons Europese heidendom is uiteengevallen en tegelijkertijd ondergronds gegaan. In deze tijd, een tussenperiode die grotere botsingen voorgaat, verschijnt ineens het heidendom weer om de leegte te vullen van een kerk die heeft gecapituleerd. In het Europa van vandaag moeten we de geboorte van een nieuw heidendom afwachten. Het is onmogelijk er iets van te voorzien of vormen vanaf te lezen.

 

Wat is de toekomst van het heidendom?

 

Het Europa van 2020 zal een warboel aan overtuigingen en religies zijn. Het Christendom stort ineen, het valt uit elkaar. De strijd zal tussen het heidendom en de Islam gaan. Spirituele strijd of een totale strijd? Niemand weet het. Het heidendom is het tegendeel van de serieusheid en juist die insteek is het meest serieuze en duurzame. De macht en de onverwinnelijkheid van het heidendom (en dat is de reden waarom de Islam voor het heidendom het meeste angst heeft – zie de affaire rond ‘De Duivelsverzen’ van Rushdie), heeft ermee van doen dat het heidendom de levenskrachten samenbrengt en dus onuitroeibaar is. Het zal nooit kunnen verdwijnen, in tegenstelling tot de monotheïstische godsdiensten. Die hebben slechts een tijdsdeel in de geschiedenis, aangezien ze op dogmatische theorieën zijn gegrond en daarom noodzakelijkerwijs van voorbijgaande aard zijn. Het is echter hoogst onwaarschijnlijk dat Europa teruggaat naar heidense religies zoals ze waren, zoals in India vandaag of in voorchristelijk Europa. De huidige druidische religies – denk aan Bretagne, Ierland, Engeland – zijn niet alleen minuscuul, maar hebben ook nog een kunstmatig karakter. Ze zijn folkloristisch-spiritueel, maar niet religieus, fideïstisch en slechts een beetje authentiek.

 

Ik zie weldra een volgende situatie, die in de komende twintig jaar geleidelijk tot stand komt: 1) de Islam wordt de grootste religie (door demografische oorzaken en de bekering van autochtonen), wat een catastrofe is. 2) Ondanks een te voorziene verergering van de sociaal-economische situatie en steeds grotere gevaren ( wat nog altijd past binnen haar religiositeit van de verlossing) zal de katholieke Kerk verstarren in een ideologische richting die anti-heilig en seculier is, en zal doorgaan met het bedrijven van linksige politiek: het verval zal zich aankondigen, evenals haar marginalisering. Ik geloof helemaal niet in een ‘massale katholieke reactie’, en de terugkeer van het katholicisme van de 19 eeuw volgens de wens van paus Johannes-Paulus II. 3) Ik voorzie een toename van sektes en ‘stammen’ (in de woorden van Michel Maffesoli) met christelijke inspiratie, in de minderheid maar wel bloeiend, met traditionalistische, charismatische, mystieke inslag en niet door het Vaticaan erkend. 4) Men kan een langzame, maar constante uitbreiding van het Boeddhisme in het Westen verwachten, wat een vervormde versie van het originele Aziatische Boeddhisme zal zijn. 5) Er is een grote afname van het atheïsme en de agnostische onverschilligheid te verwachten in de ijzeren eeuw, die zich al aankondigt en van waaruit logischerwijs een nieuwe aantrekkingskracht tot nu nog onvoorziene vormen van heidendom zal komen. De toename van dat wat ik ‘de onbeschaafde religies’ heb genoemd (wat ik niet negatief bedoel), van werkelijk een chaotische tot aan de meest interessante. Dit vormt evenwel een terrein waarop zich een werkelijke, metaforische heropleving van het Europese heidendom kan ontwikkelen. Deze ‘onbeschaafde religies’ bestaan reeds en hebben een verdorven en rommelige kant. Maar ze komen overeen met een behoefte: die van het zichzelf hernieuwen met een half vergeten en wazige herinnering.

 

Ik denk dus dat wij gedurende de 21e eeuw onvoorziene vormen van het heidendom zullen zien opkomen, vergelijkbaar met een gedaantewisseling van de Goden. Alles is mogelijk, alles is te verbeelden in de chaos, vanwaaruit een orde, na de chaos, noodzakelijkerwijze zal ontstaan. Men moet aan de andere kant oppassen voor hen die zich heiden noemen of behoren tot het milieu van traditionele katholieken, en die, of ze het nu goedkeuren of veroordelen, de huidige ontbinding van de zeden beschouwen als een terugkeer van het heidendom. (Gay Pride, Love Parade, homofilie, anti-natalisme, feminisme, drugsverslaving, geestdodende porno, afschaffing sociale maatstaven, artistieke ontaarding…). Het heidendom wil zelfs het tegendeel van het loslaten of ontwrichten van de levenskrachten, zoals die vandaag in het Westen valt waar te nemen. Integendeel, het uit zich als een ritualisering en op zich nemen van de geboden van een levende orde. De kosmische principes (van het Griekse kosmos, op orde brengen, afwenden, organiseren) voegen tegengestelde verschijningen samen. De dionysische krachten van gevoel en plezier met de apollinische noodzakelijkheden van beheersing en van ordening. Al wie schade toebrengt aan het gezonde voorbestaan van het soort en het volk, aan de organische homogeniteit van de gemeenschap of van de staat (in de Romeinse betekenis) kan zich geen ‘heiden’ noemen. Een heiden zal nooit puriteins of seksueel obsessief worden (de twee staan echter dicht bij elkaar), noch een anarchist of een tiran worden (de tweede gaat vooraf aan de eerste).

 

Bovendien moet men het heidendom niet verwarren met intolerant dogmatisme, noch met absolute tolerantie. Onder het voorwendsel van ‘sociaal polytheïsme’ juichen sommige oppervlakkige heidenen de tribalisering van de maatschappij toe, tot en met het multiculturalisme, zonder te begrijpen dat alle heidense schrijvers van het antieke Griekenland – te beginnen bij Aristoteles met zijn concept van de philia ‘vriendschap tussen naasten’ – altijd hebben gewaarschuwd tegen het samenvoegen van ongelijksoortige bevolkingsgroepen, wat altijd leidt tot geweld en despotisme. Het is daarentegen het monotheïsme dat het idee van vermenging verdedigt, om uiteindelijk over meer kneedbare massa’s te beschikken, die niet meer door etno-culturele verbanden worden samengehouden. Pseudo-heidenen geven net als moderne geestelijken hun goedkeuring aan de komst van de Islam, als een ‘oecumenische verrijking’, zonder haar totalitaire logica te begrijpen en de drang tot monopolisering. Daarbij komt nog dat zij werken met een abstracte en valse visie van een toekomstige wereld, die zich in ‘netwerken’ organiseert en voorwendt ’polytheïstisch’ te zijn, zonder volkeren of naties, met verdraagzaamheid voor marginale en abnormale ‘stammen’. En dit, nogmaals, met een ongebreideld kosmopolitisme. Dit laatste is helemaal vreemd aan de heidense visie op gemeenschap, en heeft veel meer weg van een oud joods-christelijk en pauliaans ontwerp (veel meer dan Hebreeuws) van een politiek pluriversum. Laten we niet vergeten dat het Griekse en Romeinse heidendom onder de hiërarchie en autoriteit was geplaatst van beschermgoden die staat of gemeenschap samen brachten, die de politieke orde van de volksgemeenschap ondersteunden, van de ethnos, tegenover alle individuele aanspraken of van willekeurige groepen.

 

Anderzijds heb ik geen vertrouwen in een negatief en reactief heidendom dat slechts een fel anti-katholicisme is. Het is tijdverspilling om het traditionele Europese katholicisme onder vuur te nemen. Ik heb zelf het voorwoord van een boek geschreven over Mariaverering – en dat heeft veel katholieken in verlegenheid gebracht – waarbij ik de lezers aan de vanzelfsprekendheid herinner dat de Heilige Maagd Maria en haar verering diep zijn geworteld in de Europese voorchristelijke geest en dat een heiden dit moet respecteren. Want hoe valt anders de het eeuwenlange grote enthousiasme voor de verering van Maria en de Heiligen te verklaren? Zetten de huidige bisdommen van de moderne kerk trouwens hierbij niet serieuze kanttekeningen (dat wat verklaart deels de desinteresse voor hun ‘nieuwe kerk’ ), met verdenking van ‘polytheïsme’?

 

Het hedendaagse verschil tussen heidendom en Christendom zie ik als de mediëvist P. Vial, zoals recent uiteengezet in zijn boek ‘Une terre, un peuple’. Hij wijst ons erop dat het heidendom niet anti-christelijk is, maar zowel a-christelijk als post-christelijk. Zoals hij ook met nadruk stelt, in de lijn van Nietzsche, zit het emotionele breekpunt tussen de joods-christelijke visie op de wereld en de heidense visie dat de Christenen de martelaar boven de helden verkiezen, in hun verheerlijking van het lijden, en de viering van de zaligmakende deugd van het lijden. Daar heb ik persoonlijk altijd een afkeer van gehad en dit werd een van de voornaamste oorzaken voor mijn keuze van het heidendom. Zij verkiezen masochisme en schuldgevoel, het berouw boven de esthetiek van het leven en van de wil tot macht, en de moraal van de zonde in plaats van de ethiek van de eer en de schande.

 

Ik ga nu met enig risico een historische voorspelling doen, puur op intuïtie, die helemaal foutief kan zijn of helemaal juist: ik voorzie in het Europa van de 21e eeuw de vergaande marginalisering van het Christendom, en de botsing tussen een veelvormig heidendom dat zijn voorouderlijke herinneringen terugvindt met de Islam op zijn veroveringstocht. De katholieke minderheden zullen zich over twee kampen verdelen. Zoals Montherlant het reeds had voorzien in zijn onheilspellende en miskende boek ‘De Zonnewende van juni’, is in de aankomende oorlog van de goden – die doorheen de geschiedenis van de mensheid geleid hebben – ‘de Grote God Pan terug’ als belangrijk speler van het bedreigde Europese geweten.

 

Wat is uw mening over het begrip joods-christelijke traditie?

 

De etnische chaos aan het einde van de 2e eeuw is naar mijn mening de oorzaak waardoor de Europese heidense religies in het Romeinse Rijk door het Christendom zijn overspoeld. God werd de enige redder, van alle etnische groepen en hij richtte zich tot de verwarde en ontwortelde individuen. Hij kwam om de beschermende godheden te vervangen, en dat in een wereld die in de greep is van wanordelijkheden, verdeeldheid en oorlog. Mijn wellicht provocerende positie is de volgende: Het Christendom en de Islam waren apocalyptische sektes en die zijn erin geslaagd te profiteren van de chaos. Zij gedijden in de chaos en konden zo de natuurreligies vervangen en zelf geïnstitutionaliseerde religies te worden. Natuurlijk heeft het Rooms-Katholicisme en de Slavisch-Griekse Orthodoxe Kerk, door naar een soort van historisch compromis met het heidendom toe te groeien, grondig gebroken met het Joodse Christendom en zijn oorsprong. Daarheen wilde juist de Kerk vanaf het Tweede Vaticaans Concilie terugkeren. Dit gaat gelukkig ten koste van een enorm verlies aan kerkgangers onder de Europeanen.

 

Ik ben geen historicus, maar deel de hypothese dat de grote historische breuk niet zozeer was tussen het Jodendom in strikte zin en het universele Christendom (zoals ingezet door Paulus), maar de ‘verheidensing’ van een Joods Christendom (het katholicisme en de orthodoxie) tijdens de Middeleeuwen. Het is dat proces wat mogelijk heeft gemaakt dat het Christendom zich in Europa kon vestingen. In omgekeerde zin is in de jaren zestig van de 20e eeuw de tweede grote breuk gekomen, toen het katholicisme, in navolging van de verderfelijke koers van het protestantisme, zichzelf ‘ontheidenst’ en geseculariseerd heeft. Het resultaat heeft niet lang op zich laten wachten: een massale, brutale en algemene vervreemding. Men hoort wel zeggen dat het katholicisme zich weer joods heeft gemaakt. Neen! Het Jodendom is een ware religie, zowel nationaal als bevestigend georiënteerd. Dat heeft niets van doen met rituele teksten leegplukken, en met goddeloos humanisme en de huidige katholieke lijn, met een vaag concept van liefde, nadrukkelijk neurotisch geuit, dat voor volgelingen niets betekent. Ik voel geen enkele wrok tegen het katholicisme, dat in werkelijkheid als een vermomd polytheïsme doorgaat, maar dat zichzelf als religie met Vaticanum II naar de vernieling helpt, door het verlaten van haar heilige taal en vereringen. Wat een kopie werd door steeds weer terug te komen op een absoluut monotheïsme, en niet meer op kan tegen de originelen: de Islam en het Jodendom. De toekomst van het Christendom is rampzalig.

 

Door te verheidensen heeft het katholicisme zich kunnen vestigen, wel met duidelijke ontkenning van een aantal van zijn principes. In een zoektocht om deze principes terug te vinden heeft ze een tweede maal getracht naar de ideeën van de moderniteit toe te groeien (Vaticanum II), die van de Verlichting, maar die waren juist van de eigen seculiere principes afkomstig! Aan het einde van deze onverbiddelijke, dialectische beweging heeft het Christendom zich aldus ontheiligd en is werkelijk terug zichzelf geworden, heeft zich met berusting zelfs afgeschaft. Het idee van het goddelijke is in de Kerk van vandaag samen te vatten tot de spreuken over Christus en zijn Liefde, tot de bevesting van een sociale moraal (deze is zeer dun, met de rechten van de mens, en een abstract en extremistisch altruïsme, tot pacifisme toe) die slechts een platte versie is van de heersende, goddeloze ideologie. Het Christendom is een ideologisch verhaal geworden dat op geen enkele wijze transcendeert, noch een lange termijn politiek voert, zoals de katholieke intellectueel Thomas Molnar opmerkt. Men is ver weg van het geloof van de kathedralen.

 

In mijn boek ‘Archéofuturisme’ heb ik de vrijheid genomen te dromen van een terugkeer van de Europeanen naar een soort middeleeuws heidens katholicisme waarbij zelfbewuste elites een neo-heidendom, van zowel Marc-Aurelius als Prometheus, zouden aannemen. Misschien zal de toekomst ons dit als oplossing brengen? In principe was de heidense mentaliteit ten opzichte van de Christelijke God in overstemming met de oorspronkelijke houding van de traditionele heidense mens tegenover zijn goden: die zoekt geen troost bij het goddelijke. De goden respecteren slechts de trots en de kracht, geen smeekbedes. De mens kan slechts gelukkig en gezond zijn door hemzelf, met zijn eigen innerlijke, psychische kracht en de bevestiging van zijn wil. De heidense mens knielt niet voor zijn goden : hij daagt hen uit. Of hij bedankt hen en probeert ze gunstig te stemmen. Het Christendom heeft zich ontwikkeld tot een theologie van de castratie, waarin wij schuldig en minderwaardig zijn. De heiden verleidt de Goden of trotseert hen, de monotheïst smeekt en laat zich vernederen.

 

Evenmin heeft het Joodse Christendom, net als de Islam, de fundamentele vraag weten op te lossen: indien God oneindig goed en oneindig machtig is, waarom staat hij dan het lijden toe, waarom dan geen paradijs op aarde voor iedereen? Zou God wellicht liegen? Of hij is oneindig goed en hij staat het kwaad toe, omdat hij geen oneindige macht bezit. Of hij is oneindig machtig en staat het kwaad toe, dan heeft hij dus een wrede kant. Dit is het beroemde probleem van het kwaad. De monotheïstische theologen van de verlossingsreligies hebben dit raadsel nooit op kunnen lossen, dat de heidense filosofen van Griekenland tot aan India wel perfect hebben opgelost : de godheden zijn, noch alom aanwezig, noch oneindig altruïstisch. Zij zijn net als wij onderdeel van de kosmos en daar onderworpen de grillige toevalligheid van de lotsbestemming. (bij de Romeinen Fatum of bij de Grieken Moira). Dit filosofisch verschil toont volgens mij aan dat de heidense mentaliteit veel dichter bij de werkelijkheid staat en een betere toekomst voor zich heeft dan de anderen. Dat gezegd hebbende, herhaal ik graag dat ik een sympathie heb voor het traditionele katholicisme en de Orthodoxie, want een heiden redeneert altijd abstract en zonder fanatisme.

 

In een van uw laatste boeken toont u zich enthousiast voor wat u archeofuturisme noemt. Wat betekent het precies?

 

Ik ga niet al te lang uitweiden over het boek ‘Archéofuturisme’, waarvan de titel een neologisme is dat ik zelf verzonnen heb. Het is slechts een verzameling van denkbeelden die zich richten op overdenken en handelen. Ik zet er vier belangrijke ideeën uiteen. Na het utopische toekomstdenken van het modernisme als de geseculariseerde voortzetting van de joods-christelijke dromen, zal in de toekomst de wereld op archaïsche wijze terugkeren. Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat het teruggaat naar het verleden, maar naar de duizenden jaren oude principes van menselijke samenlevingen, die het tegenovergestelde zijn van de suïcidale principes van het huidige Westen. In plaats van zich als westerse beschaving te baseren op de natuurlijke orde drijft ze richting een punt waarop rampen op allerlei gebieden samenkomen. Men kan chaos verwachten en zich in deze tussenperiode voorbereiden op de tijd na de chaos.

 

De huidige en nog komende verwezenlijkingen van de techno-wetenschap zijn in tegenspraak met de ethiek van de moderniteit die is voortgekomen uit het Christendom en zullen een prometische ethiek van ontsporingen en risico in de stijgers zetten, eigen aan de antieke heidense mentaliteit. Hetzelfde voor een ethiek dicht bij die van het Grieks humanisme, voor welke geen enkele transcendente wet hoger staat dan de menselijke wil in absolute zin. Deze tegenspraak tussen de natuurwet en de instelling volgens Prometheus zal slechts worden overstegen door de ondergang van het gelijkheidsdenken : een mensheid die functioneert ‘met twee snelheden’. Men moet zich wenden tot mijn boeken om beter te begrijpen, dat wat ik hier kort en bondig uiteenzet.

 

U heeft ook een controversieel boek over de kolonisering van Europa door de Islam geschreven. Wat kunt u ons erover vertellen?

 

De overheersing door de Islam vanwege demografische redenen, rond het jaar 2020, is niet iets om blij van te worden. Tegenover de Islam en het materialistisch atheïsme, is de zwakheid van het Christendom die van een religie van verlossing – dat was ooit een kracht maar thans in een dialectische ommezwaai het omgekeerde – met de organisatie van een staat rondom de geestelijkheid, met dogma’s en strenge wetten. Maar elke organisatie is sterfelijk en zal tegenover een concurrerende organisatie verzwakken, of dit zich nu afspeelt in een politieke, economische of religieuze omgeving. Het is met deze achtergrond dat vandaag het Christendom met grote sprongen terrein verliest tegenover de Islam, zowel in aantallen als in moreel. Het katholicisme is in een vergevorderde staat van ontbinding. Het heeft met Vaticanum II een theologische zelfmoord in gang gezet met het verlaten van het Latijn, zijn heilige universele taal, terwijl de Islam over de hele wereld het religieuze Arabisch van de Koran nooit heeft verlaten.

 

Anderzijds heeft het katholicisme een gigantische fout begaan door zich te willen moderniseren. Zowel in zijn vereringen, de heilige teksten, als in het theologische vertoog. Deze hervorming zal het fataal worden. Daarentegen lijkt het heidendom op het riet uit de fabels van Fontaine. In tegenstelling tot de monolithische eik van een openbaringsreligie heeft het een energieke bezieling en geen onzekere organisatie die zich heeft vastgetimmerd rondom een dogma. Zijn flexibiliteit vloeit voort uit zijn scepticisme en zijn realisme. In Europa verliest het Christendom tegenover de Islam terrein, omdat het tegenover een concurrerende broer staat die krachtiger dan zijzelf is. Het heidendom doet niet mee aan deze familieruzie. Het is een ander verhaal. Het is met die reden dat de Islam met zijn coherente en zeer oude werking – en vandaag hernomen bij de groei in Europa – als primaire tegenstander de heidense mentaliteit zal hebben. Ik weet dat er zogenaamde heidenen zijn die positief ten opzichte van de Islam staan. Zij maken door een gebrek aan kennis een grote vergissing en zien duidelijk niet in wat de Koran voor hen in petto heeft, onder de noemer van ongelovigen en afgodendienaren: dat Joden en Christenen dus uitgesloten en onderworpen (dhimmi’s) zullen worden, en zij het lot van de schapen tijdens de rituele slacht zullen ondergaan. Het voltstaat zichzelf ervan te overtuigen door soera 4 van de Koran te lezen, die wordt onderwezen in alle moskeeën en koranscholen van Europa.

 

Ik raak regelmatig een open zenuw bij bepaalde Christenen, wanneer ik uitleg dat ik als heiden tegen het ombouwen van kerken naar moskeeën ben, terwijl het bisdom het toelaat. Ik wil wel verduidelijken dat ik jegens de Islam geen enkele minachting of haat voel. Ik wijs als heiden simpelweg voor mijn eigen volk zijn plan voor spiritualiteit en maatschappij af. Ik ken het goed en heb het lang bestudeerd. Ik heb de Koran gelezen, in tegenstelling tot de Parijse intellectuelen de activisten voor de multiculturele samenleving. Ik werd eens door moslims uitgenodigd om ‘tegen de Islam’ te spreken; zij waren verrast door het feit dat ik heel goed op de hoogte was van hun wil om Europa te veroveren, het te transformeren in Dar-Al-Islam, en dat hun verhaal over de gematigde en moeiteloos integreerbare Islam een dubbelzinnig verhaal was, een hypocriet verhaal, door de Profeet zelf aangeraden wanneer men een nieuw gebied aanvalt. (‘Kus de hand die je nog niet afhakken kan’). Deze moslims, Arabieren en Pakistanen, hebben niet gepoogd mijn verhaal te weerleggen. Zij hebben gelachen en hebben me in essentie verteld: Gelukkig dat er weinig Europeanen zijn die ons kennen zoals u ons kent.

 

Waar het gaat om het gevaar van de Islam kom ik volledig overeen met actuele, voorname specialisten op dit gebied, zoals de jonge en productieve onderzoeker Alexandre del Valle. Hij behoort tot de kringen van traditionele Christenen die heel goed hebben begrepen dat tegen het directe gevaar van de wereldwijde opkomst van de Islam het onontbeerlijk is een alliantie te vormen met heidense krachten, van Europa tot aan India. De Islam is een wereldlijke oorlogsreligie, de meest absolute van alle monotheïstische openbaringsreligies. Het tolereert op termijn niets anders dan zichzelf en zijn theocratische ontwerp van de wereld, waar het geloof zich met de wet vermengt, en in etymologische zin totalitair is. Zelfs indien het vaak goede principes verdedigt, zelfs indien het zich terecht tegen westerse decadentie verzet, kan het nooit samengaan met onze mentaliteit en tradities. Ik heb niets tegen de Islam op zijn eigen grondgebied, maar zijn groeiende omvang in het westen van Europa (reeds de tweede religie in Frankrijk en in België) daar maak ik me als de heiden die ik ben meer zorgen over dan atheïsten van seculier links of christenen.

 

Wat zijn de goden die u het meeste inspireren?

 

Elke godheid belichaamt een van de kanten van de menselijk natuur, en wie ben ik dan om Aphrodite en Venus of Mercurius en Hermes, of de huiselijke, bescheiden beschermers van de familie te verwerpen. Ik geef helemaal toe dat mijn interpretatie van het heidendom naar Prometheus door andere heidenen wordt bekritiseerd. Eigenlijk hebben er altijd al twee vormen van het heidendom bestaan, die echter naadloos op elkaar kunnen aansluiten. Een volkse vorm vanwaar de term pagani (provinciaal, dorpsbewoner) komt, die men terugvindt bij al de volkeren op de aarde tot en met de geïslamiseerde volkeren. Het is een simpel bijgeloof, maar is geenszins te minachten en bovenal noodzakelijk voor het harmonieuze samenleven. De andere vorm is het heidendom van de filosofen, waarbij men uiteraard niet gelooft in het objectief bestaan van godheden, maar van binnen een verschrikkelijke en tragische twijfel over het bestaan van ‘iets’ bovennatuurlijks en onverklaarbaars erkent. Het verwerpt het atheïstisch materialisme en respecteert alle religies op de aarde als delen van de waarheid, maar verwerpt volledig het idee van openbaringswaarheid. Bij de Indiase Brahmanen tot aan de Keltische Druïden komt er tegelijkertijd een aardse en kosmische kracht los, die geheel ontbreekt bij de openbarings- en verlossingsreligies. Deze kracht kan niet worden geuit in een dogma, een catechismus. Ze is te voelen en trekt sporen. Het vloeit voort uit een eerste kennismaking, zowel volks en spontaan ofwel aristocratisch. Het heidendom is gemaakt voor volkeren en de gemeenschap waartoe men behoort, niet voor de massa’s en ontwortelde individuen. Het komt zowel voort uit het volkse bijgeloof, als uit geestelijke discipline. Het omvat magisch geloven in dierlijke godheden en bossen (een dionische en gewortelde visie) tot aan apollinische donderslagen.

 

Alle godheden inspireren me, maar meer bepaald Dionysos, als symbool van trouw en van levensduur. Een god die glimlacht, maar met een verontrustende glimlach. Hij symboliseert de stroom van het leven, de opstand tegen de geboden en verharde dogma’s. Het is de god van het plezier, van het willen leven, maar ook van de afstammingslijn en de continuïteit van het leven. Het is geen toeval dat christenen sommige van zijn karaktertrekken en eigenschappen hebben geleend om hun Satan vorm te geven. Van origine verbonden met de aarde (chtonisch) is de sensuele Dionysos echter het tegenovergestelde van de perversiteit. Hij belichaamt principes die tegenstrijdig zijn met die van de moderniteit. Hij is precies het tegendeel, meer dan alle andere Goden van Griekenland, van heel het monotheïstische en joods-christelijke wereldlijke ontwerp dat onze beschaving doortrekt. Dat had ook Nietzsche ten volle begrepen en hij maakte hem in zijn persoonlijke pantheon ook de centrale godheid. Dionysos is de meest tragische van alle goden: hij speelt, hij lacht, hij roept op te genieten, maar hij bereidt ook de stervelingen voor op hun onafwendbare einde. Hij is natuurlijk, zoals Pierre Vial heeft aangetoond, de exacte tegenhanger van de zonnegod Apollo. (contradito oppositorum). Ik moet toegeven dat ik via Dionysos een van de schrijvers heb ontdekt die me het meest heeft gegeven. Het gaat om Michel Maffesoli, zijn uitzonderlijke werk en zijn boek ‘De schaduw van Dionysos’ waarin hij de onoverwonnen en onoverwinnelijke invloed van de God van druivenstengels en takken aantoont. Ik wil eraan toevoegen dat ik geenszins de analyses en de sociologische keuzes van deze auteur deel, wat aantoont dat ik relativeer en niet verabsoluteer, met de wetenschap dat wij allen in het kamp zitten van de opinie (doxa) en zelden in dat van de kennis (epistime).

 

Dit wil niet zeggen dat ik de zonnegod Apollo verwaarloos. Een tekst die me diep heeft geraakt is een door Paul Valéry geschreven strofe, volgens mij een van de mooiste in de Franse taal. In zijn gedicht été (zomer) koppelt en botst briljant de dionysische sensualiteit van de soevereine baan van de zon en een jong meisje dat ’s ochtends wakker wordt. (een constante in het hernieuwbaar doch vergankelijk leven) Ik heb deze vier strofen altijd tot de meest heidense van de Franstalige poëzie gerekend: het jonge meisje, naakt in haar lakens, ontwaakt, wast zich als een jong dier en:

 

du haut-ciel, foudroyant l’heure humaine,
Monstre altéré du Temps, immolant le futur,
Le sacrificateur Soleil roule et ramène
Le jour après le jour sur les autels d’Azur.

 

(…vanuit de hoge hemel bliksemt hij het levensmoment van de mens neer,
Dorstig monster van de tijd, dat de toekomst slacht,
offerpriester de Zon wentelt en brengt terug
dag na dag op het altaren van azuur.)

 

Dionysos hernieuwt levensvormen door metamorfose (schoonheid zal verouderen, maar nieuwe schoonheid is op komst en zal het opvolgen), terwijl dat Apollo in zijn onveranderlijke koers (labor solis; ergon heliou) deze metamorfose beschermd en verzekerd. Met het duo Apollo-Dionysos vallen vergankelijkheid en eeuwigheid in harmonie samen. Voor mij is het heidendom ten diepste de verering van het werkelijke van het leven, in al zijn dimensies. (biologisch, astronomisch, fysiek etc.) In tegenstelling tot de religies van de verlossing ziet het af van het opbouwen van een meta-werkelijkheid, een leugen, een geest (de schaduwbeelden uit de allegorie van de grot van Plato) maar trotseert de milde en harde drama’s van het leven.

 

Maar om terug te komen op Valéry, adviseer ik het lezen van het gezang met tienlettergrepige versregels ‘Het zeemansgraf’ dat volgens mij het meest indrukwekkende heidense manifest is sinds ‘De Geliefden’ van Pierre de Ronsard. Men moet tevens herhalen dat het heidendom ten diepste esthetisch is, en in beginsel zowel apollinisch als dionysisch. De kunst, de poëzie en de architectuur van onze tijd nemen nauwkeurigheid en esthetische discipline als onjuiste richtlijnen, en rechtvaardigen die dikwijls door rationaliteit en eenvoudige lelijkheid. Ze zijn niet alleen een opstand tegen de heidense ziel, maar een patroon dat geen lang leven is beschoren, en tot een ramp zal leiden. Het heidendom is de toekomst van de wereld, simpelweg omdat het de wereld neemt voor wat het is en wat het zou kunnen worden, niet dat wat het moet zijn.

 

Ter afsluiting van mijn antwoord zou ik zeggen dat men nieuwe goden moet uitvinden. Dit is een diepe aandrang van de homo europaeus met zijn epische mentaliteit. De nieuwe goden doen onze toekomst opbloeien. Ik heb wel door dat mijn antwoorden meerdere tegenstrijdigheden bevatten. Maar ik heb niet het doel kunstmatig coherent te zijn. Ik neem de kleinzielige denkers die tegenstrijdigheden bij schrijvers ontmaskeren in het geheel niet serieus. Elke creatie is het het resultaat van tegenstrijdigheden, elke gedachte verheft zich in het midden van een slangenkuil.

 

Alle afbeeldingen zijn afkomstig van wikimedia.org