Skip to main content

Pathologisch altruïsme, de psychologie achter de omvolking

Inleiding

Wie met een etnische bril om zich heen kijkt, ziet een massale overdracht van welvaart van blank naar niet-blank. De oververtegenwoordiging van niet-blanken in het uitkeringsstelsel en de psychiatrische zorg, het enorme beroep op politie en justitie, overal om ons heen vloeit tijd, energie en geld van blanken naar niet-blanken. Hoe heeft deze ongerijmdheid, die nog nooit op zo’n schaal heeft plaatsgevonden en tegen de evolutionaire principes ingaat ooit zo ver kunnen komen?

Niet alleen op instellingsniveau, maar ook op individueel niveau vindt deze overdracht plaats. Neem het bericht vorige week over de aanslag in Parsons Green, een metrostation in Londen. Penelope en Ronald Jones, een ouder Engelse echtpaar, hadden een migrant uit Syrië in huis gehaald. Zij namen voortdurend migranten in huis, soms zeven tegelijk. Penelope kon nooit “nee” zeggen, als het paar om opvang werd gevraagd. Hun leven stond in dienst van de migranten.

Al snel na de aanslag bleek de Syriër die zij hadden opgevangen de hoofdverdachte te zijn. Hij had moedwillig de burgers van zijn gastland leed berokkend, door een explosief af te laten gaan in een drukke metro. Het echtpaar dat hem onderdak had verleend en in wiens huis hij de aanslag had voorbereid, werd door de politie verhoord als potentiele mededaders. De buurt werd ontruimd vanwege de kans op aanwezige explosieven. Wat zouden Penelope en Ronald Jones de politie hebben verteld? Dat zij slechts het goede wilden doen? En dat het nog wel zo’n aardige jongen leek? Zij hadden beter kunnen weten en betalen nu de prijs.

Zij zijn niet de enige. Het Westen is ten prooi gevallen aan een collectieve waan, die bovendien levensgevaarlijk is: het idee dat blanken hun landen moeten delen met zoveel mogelijk niet-blanken. Om de onderliggende mechanismen hiervan te begrijpen is pathologisch altruïsme een bruikbaar construct. Jared Taylor, voorzitter van American Renaissance, schreef er in 2012 een artikel over naar aanleiding van het verschijnen van het boek Pathological Altruism. Taylor gebruikt dit construct uit de psychologie om de hedendaagse westerse cultuur te duiden, in het bijzonder de curieuze bereidheid bij blanken om de landen die zij hebben opgebouwd af te staan aan niet-blanken. Zijn boekbespreking is meer dan ooit actueel.

Hieronder volgt een bewerking van het artikel van Jared Taylor. Bij de conferentie van Erkenbrand op 14 oktober 2017 zal Taylor een van de hoofdsprekers zijn.

Het concept van pathologisch altruïsme

Pathologisch altruïsme is een relatief nieuw concept, het verscheen voor het eerst in de wetenschappelijke literatuur in 1984. Er is niet veel over gepubliceerd, mogelijk omdat altruïsme zo hoog wordt aangeslagen in het Westen dat slechts enkele onderzoekers het durven te bekritiseren. Een uitzondering is het boek Pathological Altruism van Barbara Oakley en anderen.

Pathologisch altruïsme wordt volgens de hoofdauteur gedefinieerd als een oprechte poging om anderen te helpen, hetgeen ontaardt in schade aan de persoon zelf of aan anderen. Zij noemt het “een ongezonde focus op anderen, ten koste van de eigen behoeften.” Verschillende andere auteurs geven nog meer pakkende definities: pathologisch altruïsme is als mensen “valselijk geloven dat zij andermans problemen veroorzaken, of ten onrechte geloven dat zij de middelen hebben om een ander te verlossen uit zijn lijden” Het is “het valse geloof dat het eigen succes, geluk, of welzijn een bron is van ongeluk voor anderen” Pathologisch altruïsme “gaat vaak samen met zelfrechtvaardiging” en kan resulteren in “impulsieve en ineffectieve pogingen om een ervaren onbalans te herstellen”.

Deze definities zijn een bijna perfecte beschrijving hoe links omgaat met niet-blanken, hoewel dat de auteurs lijkt te zijn ontgaan.

Een typische casus van pathologisch altruïsme is als slachtoffer van huiselijk geweld denkt dat zij degene is die haar partner tot geweld drijft en bij hem blijft omdat zij bang is dat hij zelfmoord zal plegen als zij zou weggaan. Sommige mensen denken dat hun eigen succes ten koste gaat van hun familie of collega’s en proberen daarom te compenseren voor hun prestaties, die zij als onverdiend beschouwen.

Iemand helpen die zichzelf schaadt is een andere vorm van pathologisch altruïsme. Voorbeelden zijn het geven van teveel voedsel aan een kind dat lijdt aan obesitas, of liegen tegen de werkgever van een partner om zijn alcoholprobleem te verbergen. De mensen die schadelijk gedrag in stand houden hebben vaak een lage eigenwaarde en offeren hun eigen behoeftes op voor de persoon voor wie zij zorgen. Soms zijn zij gedreven door een onvermogen om somberheid of woede te verdragen van het object waar zij pathologisch altruïsme op richten, opnieuw een goede beschrijving hoe blanken omgaan met niet-blanken.

“Dierenverzamelaars” zijn een ander voorbeeld van pathologisch altruïsme. Zij vullen hun huis met “geredde” dieren, die zij vervolgens verwaarlozen. Zij betuigen hun liefde voor dieren, terwijl zij over de kadavers van honden en katten stappen die bezweken zijn aan ondervoeding. Zij verwaarlozen vaak ook hun eigen gezondheid, wonen in afgeleefde woningen gevuld met uitwerpselen van dieren. Zulke verzamelaars hadden als kind vaak een sterke band met dieren en werden zelf verwaarloosd of misbruikt door hun ouders. Het verzamelen van dieren begint vaak na een tegenslag, zoals een echtscheiding of verlies van werk.

Sommige mensen met een chronisch ziek familielid worden pathologisch altruïstisch, geheel toegewijd aan het helpen van de zieke. Als zij echter zelf ziek worden, neigen zij om te denken dat zij een pijnlijke last zijn voor anderen en weigeren om hulp te aanvaarden.

Empathie en altruïsme kunnen uit de hand lopen, maar zij zijn op zich onderdeel van de menselijke natuur. Zelfs jonge kinderen vertonen tekenen van empathie en proberen mensen te helpen die in nood verkeren. Als baby’s andere baby’s horen huilen, huilen zij mee. Als kinderen daarentegen zijn misbruikt of in disfunctionele gezinnen zijn opgegroeid zijn zij soms juist vijandig naar mensen die lijden.

Bijna alle volwassenen voelen compassie bij het zien van lijden – degenen die dat niet voelen zijn psychopaten – en dit instinct lijkt te zijn geëvolueerd om twee redenen. Altruïsme binnen de familie of directe familie heeft zin, want de voordelen komen ten goede aan veel van dezelfde genen. Behalve met directe familieleden stonden we ook in contact met stamgenoten die minder voedsel tot hun beschikking hadden. We hebben waarschijnlijk een aandrang om te delen ontwikkeld, omdat dit de sociale verhoudingen verbeterde en omdat degenen die geholpen werden mogelijk op een dag ons zouden helpen. Dit is waarschijnlijk de reden dat bedelaars mensen een ongemakkelijk gevoel geven. Ze stimuleren die ingebouwde neiging om te delen. Sommige mensen geven toe aan die neiging, maar anderen proberen gewoon weg te komen van bedelaars.

Onderzoek naar pathologisch altruïsme

Onderzoek naar altruïsme onder gecontroleerde omstandigheden suggereert dat we meer altruïstisch zijn dan we hoeven zijn en inderdaad brengen mensen verloren portemonnees terug, doneren bloed en verrichten daden voor mensen die zij nooit zullen zien. Een van de auteurs, Satoshi Kanazawa, stelt dat dit komt omdat de hersenen moeite hebben om dingen te begrijpen die nooit voorkwamen in ons beperkte evolutionaire milieu: “Hedendaagse mensen kunnen samenwerken met genetisch niet-verwante anderen, vanuit het onjuiste (en onbewuste) idee dat zij familie zijn of handelspartners.”

Met het vriendelijk zijn tegen totale vreemdelingen is geen genetische of materiële winst te halen. Toch zijn we vriendelijk naar hen omdat onze verre voorouders zelden met totale vreemdelingen te maken hadden. Hen negeren of afwijzend tegenover hen staan en handelen zou meer zin hebben, maar toch behandelen wij hen als deel van de stam.

Wat maakt dat altruïsme kan doorschieten? Een theorie is dat het eenvoudigweg om een extreme uiting gaat van een persoonlijkheidskenmerk die wij allen bezitten. Psychologen werken met het klassieke Five-Factor Model van persoonlijkheid, dat emotionele stabiliteit, extraversie, openheid ten opzichte van nieuwe ervaringen, zorgvuldigheid en servicegerichtheid (‘agreeableness’) meet. Pathologisch altruïstische mensen zijn mogelijk te service gericht en laten zich daarom gebruik van zich maken. Blanken, als ras, zijn meer “servicegericht” dan andere rassen.

Een andere theorie over de oorsprong van pathologisch altruïsme is dat het gezien wordt als resultaat van overmatig vrouwelijke hersenen. Vrouwen zijn meer dan mannen geneigd om mee te gaan in schadelijk gedrag van anderen, ten koste van zichzelf. Zij zijn ook beter in staat de behoeften van een ander aan te voelen. Vrouwen zijn politiek meer links georiënteerd en meer geneigd om te denken dat een belangrijke taak van de overheid is om voor anderen te zorgen. Lage niveaus testosteron in de baarmoeder gedurende de foetale ontwikkeling is geassocieerd met hogere empathie niveaus in beide geslachten.

Pathologisch altruïsme is mogelijk het spiegelbeeld van autisme, wat veel meer voorkomt bij jongens dan bij meisjes en wordt gekenmerkt door een onvermogen de behoeften van een ander aan te voelen. Dit staat bekend als de extreme male brain-theorie. Een auteur speculeert dat er waarschijnlijk net zo veel vrouwen zijn met pathologisch altruïsme als mannen met autisme.

Er zijn veel delen van het brein die actief worden als wij pijn of straf zien bij anderen. Hiertoe is beeldvormend onderzoek van het brein verricht terwijl de proefpersonen keken naar mensen die een fysieke afstraffing ondergingen, omdat zij bij een spel vals hadden gespeeld. De neurale circuits van empathie werden actief bij vrouwen, niet bij mannen. Mannen lijken hun mededogen te verliezen als zij denken dat de pijn verdiend is, terwijl vrouwen empathisch blijven.

Het nodige bewijs wijst erop dat altruïstisch gedrag sterk genetisch bepaald is. De genetische afwijking die bekend staat als Williams syndroom heet ook wel “de ziekte van teveel vriendelijkheid”. De mensen die aan dit syndroom lijden zijn te goed van vertrouwen en te sympathiek. Zij hebben bovendien vaak een laag-gemiddelde intelligentie, waardoor zij makkelijk slachtoffer kunnen worden van seksueel misbruik. Zij hebben afwijkingen in het deel van het brein dat de amygdala wordt genoemd, het deel dat een rol speelt bij het begrijpen van gelaatsuitdrukkingen en het beoordelen van bedreigingen. Zij zijn waarschijnlijk de enige groep zonder raciale voorkeur.

De amygdala, de anterieure temporale cortex en de insula zijn delen van het brein die een rol hebben in het aanvoelen van pijn bij anderen. Psychopaten hebben minder hersenmassa in deze gebieden dan de normale controles en het is denkbaar dat mensen met juist meer hersenmassa in deze gebieden eerder een neiging hebben tot pathologisch altruïsme.

De neurotransmitter serotonine is van invloed op ons morele oordeel. Bij hogere serotonine niveaus blijken mensen minder bereid te zijn om met anderen een confrontatie aan te gaan. Oxytocine bevordert sociaal gedrag en vertrouwen binnen de eigen groep. Volgens een studie worden mensen door oxytocine meer geneigd om zich op te offeren voor de eigen groep en de personen buiten de eigen groep op afstand te houden. De genen die bekend staan onder de naam DRD4, IGF2 en DRD5 zijn geassocieerd met altruïsme en onbaatzuchtigheid. Zoals een van de auteurs opmerkt: “het lijkt veilig om aan te nemen dat altruïstisch gedrag onder substantiële biologisch bepaalde invloed staat, die zich manifesteert langs verschillende neurohormonale paden en mechanismen, die de wetenschap nog maar net heeft ontrafeld”.

Altruïsme is ook gekoppeld aan het limbische systeem, wat betekent dat het goede doen is opgenomen in het beloningssysteem van de hersenen. Als mensen zich genereus gedragen, krijgen zij dezelfde dosis genoegen als van muziek, seks en lichamelijke inspanning. De zelfbeloning van het brein in deze gevallen is normaal. Echter, het ziet er naar uit dat mensen verslaafd kunnen raken aan de bevrediging die altruïsme geeft. Dit maakt dat mensen die zich overgeven aan de opoffering en doorgaan tot de heiliging, het martelaarschap.

Sommige van de auteurs bepleiten dat er geen werkelijke altruïsme kan zijn zonder het eigen belang te dienen, zelfs bij de meest genereuze daden. Moeder Theresa mag dan tot heilige verklaard zijn, zij deed slechts wat zij wilde doen. In het geval van hulp door overheden en non-profit organisaties, zijn de mensen die geprezen worden niet eens degenen wiens geld wordt besteed.

Sommige van de hoofdstukken in het boek raken aan groepsverschillen. Een auteur, ene Dr. Brin, merkt op het verheerlijken van altruïsme zowel iets recents is als iets typisch westers. Hij gelooft dat een maatschappij een zeker niveau van materiële welvaart bereikt moet hebben voor het sommige vormen van altruïsme kan waarderen. Slechts wanneer mensen voldoende te eten hebben kunnen zij verschuiven van “jacht naar inclusie” en zich bekommeren om dierenrechten in plaats van de volgende maaltijd. Hij wijst erop dat Europeanen besloten hebben om “altruïsme boven andere culturele waarden te verheffen, zoals tribaal patriottisme en glorie in de strijd, wat onze voorouders nog voorname waarden achtten”. Links is zelfs verder gegaan en hebben tribaal altruïsme wereldomvattend gemaakt, ondanks dat “sommige andere culturen deze eigenschap van het Westen vinden grenzen aan waanzin”. Het is natuurlijk waanzin, maar Europeanen die hier op wijzen worden gestraft met uitbanning, of deïnclusie.

Experimenteel onderzoek suggereert dat mensen met verschillende etniciteiten en religies in verschillende mate schuld ervaren en verschillende niveaus van altruïsme vertonen. Ongetwijfeld is wat in de ene cultuur doorgaat voor geaccepteerd sociaal gedrag, in een andere cultuur een daad van extreme zelfopoffering. Als Koreanen en Amerikanen altruïstisch gedrag vertonen lijken verschillende delen van het brein betrokken. Zou dit ook het geval zijn bij Koreanen die als kinderen geadopteerd zijn en opgegroeid zijn in de Verenigde Staten?

Een paar auteurs spreken van “kortzichtig altruïsme” als zij daden bedoelen die de eigen groep bevoordelen door de andere groep te schaden. Het meest duidelijke voorbeeld zijn de zelfmoordstrijders, die zich opofferen met het doel om hun eigen zijde te laten winnen. Deze vorm van altruïsme wordt grotendeels uitgevoerd door mannen, onderzoekers vinden dat slechts 20% van de zelfmoordstrijders vrouwen zijn. Post-mortem onderzoek naar de levensgeschiedenissen van geslaagde zelfmoordstrijders en interviews met gevangen genomen zelfmoordstrijders laten zien zij uit alle lagen van de samenleving komen en bij geen enkel ander profiel passen. Het enige dat hen verenigt is de toewijding aan hun zaak.

One thought to “Pathologisch altruïsme, de psychologie achter de omvolking”

  1. altruisme us zowel door Nietzsche als door onze onderschatte prof herman Philipse auteur van ‘God in the Age of Science’ ontmaskerd als egoisme. Maar idd een evolutionair-psychologische verklaring voor sui-obnoxief altruisme ofwel masochisme is nergens gegeven.

Reacties zijn gesloten.