Skip to main content

Een wereldvisie voor Alt-Rechts, deel 2

Het concept mens

Dit artikel maakt deel uit van een serie, het eerste deel vindt u onder deze link.

Ons​ ​gangbare​ ​mathematisch​ ​systeem​ ​verhoudt​ zich in zekere zin ​tot​ ​de​ ​wereld,​ ​zoals​ ​een​ ​besturingssyteem​ ​zich​ ​verhoudt​ ​tot​ ​een computer.​ ​Het​ ​is​ ​een bepaalde keuze.​ ​Elk​ ​besturingssysteem​ ​heeft​ ​haar karakteristieken,​ ​zoals​ ​het​ ​geheugenbeheer​ ​of​ ​de​ ​laadsnelheid​ ​en​ ​op​ ​dezelfde wijze​ ​bezit​ ​ons​ ​gangbare​ ​mathematische​ ​systeem​ ​ook​ ​specifieke​ ​eigenschappen. Dat​ ​wij​ ​hiervan​ ​niet​ ​bewust​ ​van​ ​zijn​ ​valt​ ​ons​ ​moeilijk​ ​aan​ ​te​ ​rekenen,​ ​want​ ​het​ ​is alomtegenwoordig,​ ​wij​ ​leven​ ​letterlijk​ ​in​ ​het​ ​systeem.​ ​Buiten​ ​de​ ​bèta​faculteiten is​ ​het​ ​bovendien​ ​geen​ ​onderwerp​ ​van​ ​discussie.

Met een term uit ​de​ ​verzamelingenleer​ kunnen we​ ​ons​ ​gangbare​ ​mathematische systeem​ aanduiden als ​een​ ​Net​ ​&​ ​Beheersbaar​ ​Universum.​ ​Het​ ​gaat​ ​uit​ ​van​ ​axioma’s​ ​–​ ​vaste aannames​ ​–​ ​​waaruit​ ​de​ ​wiskundige​ ​wetten​ ​worden​ ​afgeleid​ ​die​ ​ons​ ​wereldbeeld inrichten.​ ​Deze​ ​wetten​ ​hebben​ ​de​ ​neiging​ ​om​ ​zich​ ​steeds​ ​verder​ ​uit​ ​te​ ​breiden:​ ​tot voorbij​ ​de​ ​kosmos​ ​zijn​ ​tijd​ ​en​ ​materie​ ​onderworpen​ ​aan​ ​deze​ ​wetten.​ ​Een​ ​Net​ ​& Beheersbaar​ ​Universum​ ​kan​ ​daarom pretenderen​ ​alles​ ​uit​ ​te​ ​kunnen rekenen,​ ​want​ ​in​ ​principe​ ​is alles​ ​onderworpen​ ​aan​ ​de​ ​wiskundige​ ​wetten.

Om​ ​de​ ​metafoor​ ​van​ ​de​ ​computer​ ​voort​ ​te​ ​zetten:​ ​als​ ​een​ ​Net​ ​&​ ​Beheersbaar Universum​ ​vergelijkbaar is met het​ ​besturingssysteem​ ​van​ ​een​ ​computer, dan​ ​zijn​ ​de​ ​dominante culturele​ ​systemen​ ​de​ ​bijpassende​ ​software.​ ​Er​ ​is​ ​een​ ​fundamentele​ ​reden waarom​ ​juist​ ​deze​ ​culturele​ ​systemen​ ​dominant​ ​zijn​ ​geworden.​ ​Zij​ ​gedijen​ ​binnen het​ ​gangbare​ ​mathematische​ ​systeem,​ ​zoals​ ​Windows​ ​software​ ​goed​ ​draait​ ​op​ ​een Windows​ ​besturingssysteem.

Als​ ​voorbeeld​ kunnen we ​de​ ​monotheïstische​ ​religies nemen,​ ​omdat​ ​deze uitgaan​ ​van​ ​dogma’s,​ ​vastgelegd​ ​in​ ​de​ ​heilige​ ​teksten,​ ​waarop​ ​de tekstinterpretaties​ ​voortbouwen​ ​tot​ ​een​ ​allesomvattend,​ maar ook ​verstikkend​ ​systeem. Een​ ​ander​ ​voorbeeld​ ​is​ ​het​ ​cultuur​marxisme,​ ​dat​ ​diezelfde​ ​zucht​ ​naar​ ​universele controle​ ​aan​ ​de​ ​dag​ ​legt.​ Zijn​ ​instrument​ ​is​ ​de​ ​deconstructie,​ ​een​ ​pseudo-analyse om​ ​politieke​ ​tegenstanders​ ​te​ ​neutraliseren.​ ​Wie​ ​de​ ​wetmatigheden​ ​beschrijft, maakt​ ​het​ ​gedrag​ ​voorspelbaar​ ​en​ ​daardoor​ ​beter​ ​controleerbaar. Tegenover​ ​een​ ​Net​ ​&​ ​Beheersbaar​ ​Universum​ ​zet​ ​Jan​ ​Hollander​ ​een​ ​zogenaamd Rijk​ ​Universum,​ ​een​ ​begrip​ ​ontleend​ ​aan​ ​de​ ​verzamelingenleer.​ ​In​ ​een​ ​Rijk Universum​ ​zijn​ ​de​ ​oneindigheden​ ​niet​ ​langer​ ​netjes​ ​geordend.​ ​De​ ​volledige onderwerping​ ​aan​ ​de​ ​wiskundige​ ​wetten​ ​valt​ ​weg ​en​ ​daarmee​ ​het​ ​louter mechanistisch​ ​denken.​ ​Het​ ​idee​ ​van​ ​een​ ​Rijk​ ​Universum​ ​-​ ​hier​ ​in​ ​bredere​ ​zin gebruikt​ ​-​ ​past​ ​beter​ ​bij​ ​de​ ​praktische​ ​onderzoekende​ ​denktrant​ ​van​ ​onze voorouders,​ ​maar​ ​toont​ ​ook​ ​gelijkenissen​ ​met​ ​het​ ​denken​ ​binnen​ ​Alt-Rechts.

 

Omdat elkaar bestrijdende oneindigheden een zeker resultaat opleveren, maar niet bepaald op een voorspelbare manier vanuit de grondbeginselen, is het de vraag welke mate van geavanceerdheid zal ontstaan. Tegelijk hebben we van doen met oneindig veel mogelijkheden, dus dat geavanceerdheid zich zal voordoen ligt voor de hand. Zo is het denkbaar dat Asgaard zich zal oprichten als zelfcreatie, vanuit het “Vage Alles”. Asgaard drukt perfectie en geavanceerdheid uit, met betrekking tot zelfbehoud van deze perfectie, die zich losmaakt en verheft uit alle zinnige en onzinnige activiteit uitgaande van het “Vage Alles”.

Wat tegelijk hiermee ontstaat, in het licht van geavanceerdheid, is het concept mens. Bedenk hierbij dat we de mens niet moeten verwarren met een bepaald soort organisme. De mens is een concept dat door een bepaald wezen tot uitdrukking kan worden gebracht. Dat dit wezen zekere kwaliteiten moet bezitten om het concept mens uit te kunnen drukken is een houdbare gedachte. Door de mens wordt denkvermogen tot uitdrukking gebracht. Denkvermogen heeft geavanceerdheid nodig en bepaalde vormen van geavanceerdheid zijn het resultaat van denkvermogen. Door Asgaard ontstaat zo noodzakelijkerwijs de mens, om te werken met de goden, of met hen te vechten.

We begonnen met oneindigheden die elkaar bestrijden, maar wat bepaalt de uitkomst van deze strijd? Als we ons hierbij mechanismen voorstellen doemt het beeld op van machinerie zonder begin en einde. De oneindige machine, een machine met oneindig veel onderdelen, kan zeer geavanceerd zijn, maar is inherent onvoorspelbaar. Welke input een bepaalde output tot gevolg heeft is onduidelijk. In de diepe krochten van de machine kan nog steeds van alles onopgemerkt werkzaam zijn, zelfs onopgemerkt voor de registratie van de eerste input.

De vrije wil heeft hierdoor een ongekende mogelijkheid. Immers is deze machine is niet van buitenaf volledig programmeerbaar en gedrag kan van buitenaf niet zonder meer worden opgelegd. Eveneens is nergens in deze machine een centraal commandocentrum daadwerkelijk gelokaliseerd. Precies dat is nu het concept van ‘bezieling’: een niet zichtbaar te plaatsen onderdeel dat bepalend is voor een uniek zichzelf zijn en eigenheid, met eigen keuzes, eigen gedrag en in ons geval een exclusieve cultuur, die van binnenuit is gewild en niet volkomen van buiten is opgelegd. In een Rijk Universum is bezieling derhalve een tautologie voor alle zaken buiten het Vage Alles. Bezieling is de ultieme oorzaak die niet getoond kan worden. Allerlei typen bezieling zijn denkbaar en heel het concept is inductief en organisch hiërarchisch, met allerlei gradaties van autonomie en stadia van verfijning. Alles is zo feitelijk bezield, alles wat bestaat heeft hierdoor de wil tot zijn. Een wil tot zijn, voorbij goed en kwaad zoals Nietzsche stelde, met een bestaansrecht dat veroverd dient te worden.

Zonder twijfel leven we in een fysiek universum van eindige dingen. Tijd, ruimte en materie zijn voor ons onontkoombare zaken. In een fysiek universum krijgen onze gedachten vorm en ontstaan onze ideeën. Dit is het perspectief van waaruit wij het bestaan ervaren en proberen te vatten. Of rede, logica en exact denken bestaansrecht hebben zonder zoiets als een fysiek universum is onduidelijk, maar de mogelijkheid tot dit bestaansrecht in een fysiek universum, is in ons fysieke universum onomstotelijk vastgesteld. Omgekeerd is het maar de vraag of een fysiek universum kan bestaan zonder de mogelijkheid van rede, logica en exactheid.

Breng in herinnering dat we begonnen met elkaar bestrijdende oneindigheden en het poneren van geavanceerdheid, maar nergens vormde zich ook maar de geringste aanwijzing voor het bestaan van zoiets als een fysiek universum met tijd, ruimte en materie. We kunnen echter wel vaststellen dat een fysiek universum gerelateerd is aan rede, logica en mathematische exactheid, wat door denkvermogen kan worden gegarandeerd, waar middels het concept mens weer zekerheid aan wordt verschaft. Een fysiek universum en de mens die in het leven worden geroepen, in samenhang met zelfbehoud van Asgard, is niet iets waar men lichtvaardig over moet denken. Dit betekent niets meer of minder dan dat er een bestaansreden is voor de mens en zijn fysisch universum, die verder reikt dan deze wereld en de mens zelf.

Als opstap voor een nadere uiteenzetting over ons fysieke universum in relatie tot een Rijk Universum volgt nog een korte voorbeschouwing. Zoals altijd redeneren we hierbij vanuit het gezichtspunt van een fysieke universum. Het is eenvoudig om te laten zien dat tijd, ruimte en materie niet langer vanzelfsprekende zaken zijn in het geval van oneindigheden. Neem bijvoorbeeld aan dat materiële objecten onbeperkt snel kunnen worden verplaatst. Oneindig grote snelheden kunnen zo niet langer worden uitgesloten. Als nu een object oneindig snel door een ruimte van bepaalde omvang beweegt volgens een traject dat langs iedere plaats in deze ruimte gaat, is het object op elk moment letterlijk overal en nergens in deze ruimte. Kortom het bestaan van het object is immaterieel en betekenisloos geworden, alsmede de ruimte en tijd waarin het bestaat. Ruimte, tijd en materie krijgen pas betekenis als objecten tot op zekere hoogte zijn gelokaliseerd, naar elkaar toe en van elkaar af kunnen bewegen met een beperkte snelheid.

Tijd is overigens een behoorlijk glibberig concept, dat niet zomaar betekenis krijgt. Behalve dat ruimte, materie en verandering hiervoor noodzakelijk zijn, moet er ook zoiets als een klok bestaan, desnoods in een zeer primitieve vorm. Daarnaast moet er ook een verleden worden geregistreerd en onthouden, met een besef van nu en een idee van wat komen gaat, dat wil zeggen nadenken over een toekomstige activiteiten en hier plannen voor maken. Met andere woorden: voor het zinvol laten bestaan van tijd, ruimte en materie en daarmee voor het bestaan van een fysisch universum is de mogelijkheid tot mentale geestelijke activiteit een voorwaarde. Hiermee wordt nogmaals het belang van het uitdrukken van het concept ‘mens’ benadrukt.

Jan Hollander