Skip to main content

De wereld van de kuddemensen

Op 20 september van dit jaar verscheen op de Duitse, nieuwrechtse webstek ‘Blaue Narzisse’ een prikkelend artikel met als titel ‘Welt der Herdenmenschen’ dat gaat over de mens als deel van een groep en de gevolgen voor zijn onafhankelijk denken en handelen. De schrijver van het artikel is Carlos Wefers Verastegui die een achtergrond heeft in de wetenschapsgeschiedenis. Hieronder volgt de vertaling.

Binnen de animalistische zienswijzen van mensen onderscheidt men in navolging van Nietzsche het eenzaam dolende beest van het kuddedier.

Het animalisme is echt zo’n eindproduct van een beschaving (1), zoals het gegeven van de volledig tot kuddedieren gedomesticeerde mensen. Het animalisme, d.w.z. het idee dat de mens enkel een ander dier binnen de algemene ontwikkelingen der soorten is, dat is uit zichzelf niet vanzelfsprekend. Het moet eerst vanzelfsprekend worden gemaakt.

Ook is men enkel ontvankelijk voor animalistische zienswijzen, wanneer de sociale omstandigheden van zodanige aard zijn. De mens is namelijk van zichzelf (!) geen dier en al helemaal geen kuddedier. In geen geval ligt het dus in de natuur van mensen gegrond, maar is het vooral resultaat van sociaal experimenteren.

Moraliteit van het beest versus nietigheid van de kuddemensen

Ook het dolende beest is niet oorspronkelijk en natuurlijk. Het onderscheid met de kuddemensen is echter, dat ze het resultaat is van het meest strikte egoïsme tegenover de uit een beschaving voortvloeiende egalitaire tendensen en daarom uitwendig overgesocialiseerd (2). Dit egoïsme van het eenzaam dolende beest voltrekt zich in bewuste afgrenzing van de kudde alsook in de meest radicale oppositie tot haar leegheid, uiterlijke schijn en oppervlakkigheid.

De oppositie is het radicaalst als het dolende beest helemaal geen binding heeft met menselijke aangelegenheden, die zich altijd opsplitsen binnen het schema van leegheid-overvloed, uiterlijkheid-innerlijkheid, oppervlakkigheid-diepgang enzovoorts. Desondanks is ze wezenlijk moreel te noemen. Egoïsme is in de eindtijd van een cultuur namelijk al het andere dan wat vanzelfsprekend is. Men herinnert zich in dit verband Spenglers oproep tot egoïsme en discipline.

Het bestaan van de kuddemensen is echter een zo vanzelfsprekende realiteit geworden, dat men zich niets anders meer kan voorstellen. Voor een louter feitelijk kuddebestaan is geen tucht nodig, nog minder iets van egoïsme, maar alleen de uit eigen morele nietigheid voortvloeiende wil zich onderdeel van de respectievelijke omstandigheden en processen te maken.

De bovenmens als tegenwicht tegen de starende vleeshoop

Een eenzaam dolende beest, die werkelijk succesvol is, heeft geen moraal nodig. Ze is zelf de vleesgeworden moraliteit. De tot kuddedier geworden mens daarentegen is gewoon een stom starend stuk vlees, die enkel nog iets wijs zegt wanneer het door de mangel van de beschaving is gegaan. Tegenover dit stuk vlees valt het eenzaam dolende beest op als een uniek prachtexemplaar: het is een zaak van onwaarschijnlijk geluk, waarvan men denkt dat het nooit plaatsvindt, dat een afzonderlijk mens opweegt tegen een starende kuddemenselijke vleeshoop van miljoenen tonnen.

Geen wonder dat de enorme kloof tussen het unieke prachtexemplaar en de allergewoonste empirische menselijkheid Nietzsche verleidde tot denkbeelden over bovenmensen (3).

Grootsheid of een uitgestippeld leven?

Dat het leven een betekenis heeft hoeft niemand de bovenmens te vertellen. Niet eenmaal zegt hij dat tegen zichzelf, zonder daarmee zijn leven te reduceren tot slechts een gegeven of een vanzelfsprekendheid. Ook de bovenmens is over zijn uitzonderlijkheid en uniciteit niet onderwezen en juist dat maakt hem zo uitzonderlijk en uniek, verheven in de hoogste zin des woords.

In plaats van een voor zichzelf disfunctioneel bewustzijn, de ander, genoegens van het leven, de wijde wereld enzovoorts, heeft de kuddemens een gezonde voeling met het zelfbewustzijn. Het zelfs nog stellen van de vraag of een onenigheid over bewustzijn, is voor hem niet aan de orde. Vragen over bewustzijn en reflectiviteit filtert de kuddemens uit. Hem moet voortdurend worden gezegd hoe uitzonderlijk en uniek hij is en wanneer hij het tegen zichzelf zou moeten zeggen!

Zijn zelfbewustzijn hangt samen met het erover onderwezen te zijn. Ook is hem dat zo lang verteld, totdat hij het zelf geloofde, dat hij het verdiend heeft te leven. Daaruit komt dan ook de overtuiging van kuddemensen dat hun leven een uitgestippeld leven is. Wie zegt er echter tegen de kuddemensen; “jouw leven heeft betekenis, jij en jouw leven, jullie zijn een doel op zich; elk afzonderlijk leven is het waard om geleefd te worden; wanneer ga je zelf de hoofdrol spelen?

Zichzelf toegedicht recht op leven

Geen god heeft de kuddemens openbaart, als was zijn leven iets van waarde, dat heeft de kuddemens namelijk zichzelf toegeschreven: “Jij verdient het te leven, jij verdient het te leven, jij het verdient het te leven, ik verdien het te leven, wij verdienen het allemaal te leven” – wat uit deze verklaring van de zienswijze der kuddemensen duidelijk wordt, is dat hun heersende verwarring tussen “ik, jij en wij”, terug te voeren is op de fundamentele verwarring tussen “ik en wij”.

Alleen de door het feitelijke (binnenwereldlijken) (4) bestaan gek geworden levens kunnen zo in het ongewisse zijn over de essentiële, fundamentele verschillen. Daarbij is dit hele “ik, jij, wij”-gedoe juist een leugen, zoals jezelf volledig verzekeren dat is, dat men zijn leven verdient heeft, waar dit eenvoudigweg enkel toevallig was. Wie beslist daadwerkelijk daarover, d.w.z. louter binnenwereldlijk, of het leven welverdiend is of niet? De kuddemensen!

Desondanks beweren ze dat er hier niets te beslissen zou zijn, dat het recht op leven een normaal menselijke beslissing is die eenzijdig wordt genomen. Achter deze vermomming en gebrekkige oprechtheid loert de schaamte over de naakte feiten, dat het toch wel de kuddemensen waren die deze beslissing voor zichzelf hebben genomen. Als basisschoolleerlingen bij afwezigheid van de leraren zichzelf een rapportcijfer geven, zouden ze binnenkort allen topstudent zijn. Juist zo gaan echter de kuddemensen te werk.

Eeuwig kindzijn

Zoals kinderen die men alleen laat zich met onzinnige dingen bezighouden, zo houden ook de kuddemensen in hun binnenwereldlijke alleenheid zich met onzin bezig. Het kuddemensendom en onzin zijn niet van elkaar te scheiden, d.w.z. wat de kudde voortbrengt, al zij het doormiddel van afzonderlijke kuddemensen, draagt noodzakelijk het stempel des onzins.

Wat hieraan ten grondslag ligt en wat ze krijgen is ook zonder betekenis. Met onzin en door onzin houdt men het volwassen worden tegen en verzekert zich zo van het eeuwig kindzijn. “Wie leeft zoals kinderen – dus niet voor zijn brood strijdt en niet gelooft dat zijn handelingen van bepalend belang zijn – blijft kinderlijk.” (Nietzsche) Kinderlijkheid, een geestelijke achterstand hebben en ontbrekende volwassenheid, zijn evenwel niet te missen tekenen van oversocialisering.

Bij uitstek de kuddemens heeft moraal nodig

Het is wel te begrijpen, maar toch onvergeeflijk, zichzelf voor te liegen en des te meer wanneer dit het eigen bestaan betreft. Wie hier de werkelijkheid geen recht aan doet of kan doen, die kan niet verwachten dat men hem als deel van deze door hem verachte werkelijkheid volgens zijn eigen normen rechtvaardigt behandelt. Ook volstaat het de kuddemens niet, zichzelf en anderen voor te liegen: hij moet altijd moraal en rechtvaardigheid als excuus aanvoeren, waardoor hij de werkelijkheid tegenwerkt in plaats ervan aan te voldoen.

De kuddemens zet derhalve de verhouding tussen moraal en immoraal op zijn kop. De werkelijkheid is veel te onwerkelijk voor hem om te behappen. Om deze reden heeft de kuddemens ook de moraal hard nodig en spreekt hij daarom ook met bijzondere voorliefde van rechtvaardigheid: sociale rechtvaardigheid, kansenrechtvaardigheid, vooral slaan de rechtvaardigheidsstokken tegen de toeval. Hierin vindt zich de oereigenste rechtvaardiging van ieder machiavellistisch- nietzscheaans immoralisme, waarvan de wereld des toevals zijn thuis is.

Maar ook zonder rechtsvaardigheidsstok is de moraal van de kuddemensen een zwakke, sentimentele, helemaal mensheidduizelige moraal van medelijden en zelfmedelijden, welke gepolitiseerde mensen aller tijden als walgelijk doet overkomen. Anders dan bij Nietzsche is (oprecht) medelijden echter geen politieke doodzonde. Alleen het tot ziekelijke hoogten gestegen medelijden en het gelijksoortige medelijden dat zich voordoet als zelfmedelijden, zijn een zonde tegen de heilige geest.

Ontbrekende oprechtheid, leugen en onrecht der kuddemensen

De animalistische zienswijzen van mensen zijn onjuist. Nietzsches “eenzaam dolende beest” en de “bovenmens” zijn waanzin. Echter toch begrijpelijk wanneer men zich beseft dat iets overgesocialiseerds, d.w.z. een door de beschaving kunstmatig kinderlijk gehouden kuddemensendom, zich uitgeeft als de werkelijke, de goede mensheid.

Idiote mensen die de moraal omkeren, met hun bestaan dat aantoonbaar absurd is, ze monopoliseren in hun mensheidswaan de moraal en de menselijkheid. Wanneer menselijkheid enkel zwak en ziek zijn betekent, bijvoorbeeld hyperactief medelijden en zelfmedelijden, alsook immoraal moraal was, dan zouden de kuddemensen wellicht gelijk kunnen hebben.

Alleen het feit al dat ze vanwege hun veelgeprezen levens en hun (zogenaamde) goede geweten niet oprecht kunnen zijn, maar zichzelf en anderen te moeten voorliegen, toont wel aan dat ze geen gelijk hebben. De bouwstenen van deze moraal, die zich wetenschappelijk en technisch-wetenschappelijk ontwikkelt, met andere woorden de ‘beschaving’, zijn evenwel niet in de mensen zelf te vinden en nog minder in god. Ook dit spreekt niet voor de kuddemensen.

Hun bewind, hun rechtstaat en hun democratie

Om zich van zulke ongepaste zaken als werkelijkheid, feiten, rede en historische ervaringen af te sluiten en niet steeds de waarheid te moeten onderbreken, hebben de kuddemensen zich een democratische bescherming meegegeven, de beschavings-zoologische grondslagen zie wij maar al te goed zullen kennen. Onze publiek-juridische inbedding, parlementarisme, ’burgermaatschappij’, rechtstaat, openbare mening enzovoorts, schuiven de onoprechte kuddemensen naar voren.

Wie van hen afwijkt en een andere weg inslaat heeft altijd direct de hele kudde tegen zich. Het is hier uiteindelijk evenzo geen vraag van het recht, de rechtvaardigheid of de moraal, maar uitsluitend een machtsvraag van de aantallen, daar de kuddemensen goed en wel in overtal zijn. Ze zijn met overweldigende meerderheid, daarom is de democratie ook hun oereigenste bewind. In haar keert de kuddemens zelfstandig recht en onrecht om, vooral wanneer hij de regering vormt: recht is dan wanneer alles democratisch verloopt of een zuivere machtsvraag behelst, in ieder geval geen feitelijk juridische vraag meer. Oh, jullie oprechten en waarlijken, jullie rechtstatelijken……!

Sjors Remmerswaal

 

Noten van de vertaler:

  1. Beschaving; menselijke samenleving
  2. Oversocialiseren; als een samenstelling van ‘over’ en ‘socialiseren’ en betekent zich volledig aanpassen aan de heersende opvattingen van de maatschappij
  3. Übermensch ofwel ‘de Bovenmens’; is een concept van Friedrich Nietzsche. Daarmee bedoelt hij een soort menselijke tegenhanger van God op de aarde, waarnaar iedereen zogezegd moet streven.
  4. Binnenwereldlijk; het wordt hier in religieuze zin bedoeld, het binnen de wereld zijn, wat het tegenovergestelde is van transcendentie.

One thought to “De wereld van de kuddemensen”

Reacties zijn gesloten.